2015 Stalingrad 3 – vanaf Zwarte Zee

Ik ben genoodzaakt het verslag op te splitsen in drie delen, omdat het zó groot wordt, dat het systeem er telkens op vastloopt bij het bijwerken.

Dag 17 (zondag 17 mei 2015):

Rustdag in Batumi GE 

Om acht uur sijpelt langzaam de ganse bende de ontbijtzaal binnen. Niemand is gehaast, behalve Willem, Erik en René, die seffens vertrekken naar Turkije, met de hoop dat de regen toch nog zal meevallen. Zij volgen min of meer dezelfde route als ik naar Ararat, en vervolgens naar Istanbul. De kans is echter klein dat ik ze nog inhaal. We hebben in elk geval elkaars telefoonnummer nog. Ze  nemen vriendelijk afscheid van iedereen in de ontbijtzaal  en om negen uur hoor ik ze de motoren starten en wegrijden, terwijl wij nog rustig aan de ontbijttafel het avontuur van de afgelopen week bespreken.

Ik ga dan naar mijn kamer en begin aan de definitieve planning van de komende week: ik boek alvast een hotel in Kars via Booking.com. Het hotel wordt aangeprezen in mijn Lonely Planet, en er is een privéparking voor de motor. Terwijl ik het over de motor heb toch even vermelden dat de motor vlekkeloos functioneert. Hij verbruikt geen druppel olie; het enige onderhoud is het regelmatig oliën van de ketting, welke ik enkele dagen terug ook eens lichtjes aangespannen heb. Aan dat slijtagetempo doe ik er nog eens Alaska-Vuurland of de Zijderoute bij. Terwijl de anderen hun motor bepakken en zich klaarmaken om af te zakken naar de ferry, smeer ik nog even de ketting. Ik neem persoonlijk afscheid van allemaal, stap ook op mijn motor en begeleid hen naar de haven, terwijl ik ze nog eens vereeuwig op mijn helmcamera. Dan gaan ze onder de slagboom door en blijf ik alleen achter.

 Film: De terugkeer van de medereizigers over de Zwarte zee.

Ik ga nog tanken en keer dan terug naar het hotel. Hier begint nu echt het derde deel van mijn reis.

Nu te voet op stap: eerst terug naar de haven.dsc01985 Batumi ligt ingeklemd tussen de Zwarte zee en een bergketen die Georgië van Turkije scheidt. Daar hoog in de bergen ziet het er niet goed uit.dsc01993Dit is mijn reisdoel voor morgen, en ik ben blij dat ik vandaag nog niet vertrokken ben. Ik neem de zeteltjeslift naar een hoog gelegen rots. Ik kan van daar uit de hele stad overzien, evenals de ferry GREIFSWALD die nog rustig aangemeerd ligt in afwachting van de afvaart vanavond om 19 uur.

Ondertussen is het bijna twee uur, dus lunchtijd. Mijn keuze valt op een Oekraïens restaurant. Het is zondag, en nog heel wat mensen stuiken nu pas het restaurant binnen om te eten. Via het menu kom ik te weten dat de Russen hetzelfde woord gebruiken voor ‘tong’ en voor ‘taal’. Voor mij wordt het in het Russisch bestelde kippesoep, gevolgd door gebakken vlees en aardappelen, welke daarna nog even samen gestoofd zijn met groenten. Lekker, grote porties, verzorgd en goedkoop. Het feit dat ik in het Russisch bestel brengt alweer wat verwarring teweeg: de dienster vraagt mij of ik Rus ben. Maar mijn aarzeling en mijn beperkte woordenschat maken haar al snel duidelijk dat ik maar een beginneling ben. Ik eet niet alles op, want het is echt te veel. Het schijnt ten andere onbeleefd om alles op te eten. Het zou kunnen betekenen dat de gastvrouw mij tekort gedaan heeft. Als ik vanavond nog honger zou hebben kom ik terug, maar dat is weinig waarschijnlijk.

Dan volgt een grote digestief doorheen het mondaine deel van Batumi.dsc02018 De stad heeft wel wat moois te bieden.dsc02020Sommige gebouwen zien er tegelijkertijd vertrouwd Westers uit, maar dan toch weer niet helemaal.

Mijn voeten doen er pijn van, maar mijn eten is tenminste gezakt. In het hotel vang ik een uiltje gedurende een half uurtje, en ga dan weer nog even op stap, vooraleer mij deze avond definitief terug te trekken in mijn eenzame hotelkamer. Ik skype nog even naar de familie thuis: mijn kleinzoon Kobus zingt een liedje dat hij leerde in de kleuterklas. We mogen niet lachen, het is hem grote ernst !

Nu nog het dagprogramma van morgen samenstellen en de blog bijwerken, en straks nog eens naar Christien proberen skypen.

Dan is het hier alweer 21 uur en zit de dag er op.

 Eddy schreef:

Zondag 17 mei. ’s Nachts word ik wakker van een geweldig onweer maar ’s morgens is de regen voorbij. René, Erik en Willem vertrekken naar Turkije en gaan dus niet verder mee. Om 11u30 rijden we naar de haven waar we moeten inschepen op een vrachtferry, MV Greifswald, gebouwd in 1988 in de DDR en in 1994 aangepast.

Alain rijdt mee en filmt ons allemaal maar blijft dan achter in Batumi. Hij zal daar nog wat bezoeken doen en dan verder rijden naar Turkije.

De motoren moeten aan de kant gezet worden en kunnen pas als laatste aan boord. Wij gaan als voetganger aan boord en passeren er de paspoortcontrole.

Om 17 u kunnen de motoren aan boord. We sjorren ze zelf vast met spanriemen.

Er is ook een Oekraïense motard aan boord: Boris. Op het schip is er een strikte uurregeling voor de maaltijden waarvoor je juist een half uur krijgt. Het eten is echter van erg goede kwaliteit hoewel sommigen commentaar hebben op het door mij gekende ‘Russisch’ eten.

De kajuit is ruim met zicht op zee. De bar stelt niet veel voor en barman Vladimir is best een aardige kerel hoewel hij enkel Georgisch bier uit blik kan schenken.

Rob is plots de sociale kerel die hij al de vorige avonden niet was. Hij heeft een aantal DVD’s en speler bij die hij laat aansluiten op de TV in de bar. Volgens mij probeert hij klanten te ronselen voor volgende reizen want de meeste DVD’s gaan over tochten in diverse landen.

Dag 17+1  (maandag 18  mei 2015):

Batumi GE > Kars TR 300 km

epilude2-2500km

Vandaag is het dag op dag 60 jaar geleden dat mijn ouders trouwden. Ze zijn niet meer samen, maar toch blijft dit voor mij (en ik denk ook voor mijn broer en zussen) een heuglijke dag, waarbij het toch past om eens dankbaar terug te denken aan hun jeugdige beslissing om samen door het leven te gaan, en ons vervolgens het leven en een onvergetelijke jeugd en opleiding te schenken.

Nu zit ik hier weer wat treurend in een eenzame hotelkamer in die verre uithoek van de wereld, maar niet voor lang. Straks openen zich weer nieuwe horizonten die mij zullen vervullen met een zalig gevoel van vrijheid.

Om tien over acht ga ik ontbijten. Er staat nog zo goed als niets klaar. Dat was gisteren op ditzelfde uur wel totaal anders. Ik ben voorlopig de enige klant, en wacht geduldig tot de drie dames voldoende klaargezet hebben, om mij al iets te laten kiezen. Een brede glimlach van een van hen laat blijken dat ze mijn geduld waarderen, terwijl ik zelf al mijmerend geniet van de stilte, die enkel doorbroken wordt door keukengeluiden en vrolijk vrouwelijk gekwetter. Tijdens het ontbijt ontvang ik enkele SMS’jes van Willem om mij te waarschuwen voor problemen in Turkije. Zij hebben te kampen gehad met wateroverlast en weggespoelde wegen, en hebben moeten omrijden. Dit bericht ontlokt mij een meewarige glimlach, maar stelt mij in het minst ongerust. Ze hadden dit toch kunnen voorzien?

Ik betaal mijn hotelkamer met mijn laatste Lari’s en met mijn Visakaart, en laat het hotel, en vervolgens Batumi achter mij, en tuf naar de grens, 15 km verderop. Dicht bij de grens passeer ik voorzichtig een eindeloze file vrachtwagens. Dat belooft… Aan de grenscontrole zelf is alles geblokkeerd door politie en barrages. Ik rij langzaam wat dichter tot bij een agent, en deze stuurt mij terug. “Naar Batumi?” Vraag ik. Hij knikt. Ik negeer dit en parkeer mij wat verder om te weten te komen wat er gaande is. Door de hevige onweders van de laatste nachten zijn rotsblokken op de weg terecht gekomen, en dreigen er nog te vallen. Men gaat de losse rotsen dynamiteren, en dan het puin van de weg verwijderen. En inderdaad, wat later klinken enkele enorme knallen. Nu nog wachten tot de weg vrijgemaakt is, en de grens weer open gaat. Dat duurt wel twee uur.dsc02037 Ik heb uitzicht op een grote moderne werkloze grenspost, waar mensen wat verdwaasd en onrustig over en weer lopen. Ondertussen heb ik mijn motor verplaatst tot net naast een grote Mercedes met ‘Corps Diplomatique’ plaat. Dat bleek een goede zet, en ik ben bij de eerste om de grenszone binnen te rijden. Alles gaat relatief vlot tot aan de laatste controle, waar ik teruggestuurd wordt voor een grondige controle. Hiervoor plaats ik de motor midden in een enorme hangaar, ik moet naar buiten gaan, en die kleine motor wordt daar door een enorm machien gescand. Die denken zeker dat ze met die scanner een paar honderd verstekelingen gaan opsporen, of een treinvracht mortiergranaten?

Ze weten echter niet dat mijn geheime passagier niet in een van de koffers zit, maar veilig opgeborgen in mijn jas. Wanneer deze farce achter de rug is mag ik eindelijk de douanefoor verlaten. Dat denk ik tenminste, maar daar duikt nu een nieuw probleem op: het verkeer zit volledig vast ! De CorpsDiplomatieker, hij ziet er uit als een Amerikaan, kijkt mij even aan en lacht: ‘Hier staan we weer…’. Maar ik met mijn Transalpje, ik wurm en wring mij in alle bochten tussen auto’s, bussen, en vrachtwagens, en even later zet ik voor het eerst de gazze even open op een totale lege dubbelbaanse weg in Turkije. Nu eerst nog wat geld wisselen, dan een klein broodje kopen bij Den Turk, en ik sla links af, de bergen in. Ik zwier van links naar rechts door de vele bochten; de wegen zijn vaak als biljartlakens. Ik doe mijn best om het rustig te houden, en de ambulanciers een werkloze namiddag te bezorgen. Hier en daar zijn nog grote wegenwerken aan de gang.

dsc02039Ik neem een zijsprongetje en bezoek een heel oud kerkje langsheen een geasfalteerd geitenpaadje, en rij dan weer verder. Bij mijn passage door de Turkse dorpjes valt het mij op dat er reeds verkiezingskoorts heerst: overal hangen vlagjes, honderden, duizenden…, en grote affiches met voor mij onbekende grijnzende hooghartige koppen.

Plots is de weg afgesloten wegens grondverzakkingen of puin. Ik moet in elk geval een andere weg nemen. Ik vraag onderweg verschillende keren of de weg goed te doen is. Dat wordt mij verschillende malen bevestigd: het is goed weer. Ik maak halt in Ardanuç. Daar neem ik eerst een grote zwarte thee op een terrasje, babbel wat en maak een fotoshoot met de locals, waaronder Gökay Yazici, een man in een rolstoel.dsc02047 Hij geeft me zijn facebooknaam om hem de foto op te sturen, en ik rij dan weer verder. Mooie weg. Even is het moeilijk, vooral voor de auto’s, want in een dorpje is de weg opengebroken en nog licht modderig. Even verder zitten twee enorme camions in tegenovergestelde richting neus tegen neus geblokkeerd in een bocht op een helling, en de weg is er met moeite drie meter breed. Hoe gaan ze dat oplossen? Er staat al twintig man rond. Ze gebaren mij dat ik er langs kan, en jawel, er is nog net een meter tussen de twee neuzen… Even verder weer goede macadam. Maar dan komt het: het gaat steeds hoger en hoger, een mooi droge brede weg langs besneeuwde hellingen.dsc02050 Hier en daar komt de sneeuw tot op de weg, maar kan ik er mooi langs. Ik ga over de 2500 meter en kom dan op een enorm uitgestrekte hoogvlakte ruim boven de tweeduizend meter. De streek is hallucinant prachtig. Hier wonen overal nog mensen, levend van veehoederij, vooral runderen. Overdag gaan de kudden ( van enkele tot honderd dieren ) grazen onder begeleiding van een herder, en komen dan ’s avonds terug, vermoedelijk om gemolken te worden. Hier is de tijd blijven stil staan. Huizen bestaan uit wat stenen en een groendak (aarde en gras). De enige auto’s zijn deze die hier nu en dan passeren, en dat zijn er al heel weinig. Reken daar nog bij dat vandaag heel wat verkeer over deze alternatieve weg gestuurd wordt omdat de andere pas afgesloten is. Maar de weg is beter dan het meeste dat ik in Rusland of Georgië tegengekomen ben. En wat verder rijst dan plots het stadje Ardahan op, niet groter dan Eeklo. Moderne gebouwen, spiksplinternieuwe autobusjes, een enorme luxueus uitziende universiteitscampus. En dan enkele kilometers verder weer de eindeloze lege vlakte, op de veetelers na dan.

Naarmate ik Kars nader zijn er al wat grotere landbouw- en veeteeltbedrijven, modern uitgerust. Ook de huizen beginnen normale vormen en proporties aan te nemen, hoewel meestal nogal rommelig of armoedig.

In Kars blijkt mijn boeking van het hotel wat tegen te vallen. Hotel Temel dat ik geboekt had heeft geen privé-parking, niettegenstaande de uitdrukkelijke aanduiding ‘Privé-parkeren is gratis’. Ze stellen voor om hem ergens op straat te laten staan. Er is zelfs voor het hotel op straat niet eens plaats. Ik moet ondertussen de motor op straat in tweede file laten staan, zodat zelfs geen auto meer kan passeren. Ik weiger dan ook om hier in te checken en vind tien minuten later met behulp van mijn Lonely Planet een alternatief, mét privé-parking.

Dan nog in een restaurantje om de hoek een licht avondmaal: kip en heerlijke rijst met een slaatje.

Eddy schreef:

Maandag 18 mei. De zee is een spiegel en de zon brand. Er zijn enkele verstekelingen aan boord: 2 zwaluwen en nog een ander klein vogeltje. We varen ontzettend traag: 13 km/u volgens de GPS van Lex.

Dag  17+2 (dinsdag 19 mei 2015):

Kars > Dogubayazit (Ararat) TR 200 km

Ik word reeds om vier uur wakker. Ik leef blijkbaar nog op Georgische tijd. Gelukkig lag ik op tijd in mijn bed. Ook de oproepen tot gebed vanuit de verschillende minaretten in de buurt brengen mij langzaam weer tot leven. Sommige mensen ergeren zich aan die vroege ochtendgeluiden in Moslimlanden; voor mij hoort het er bij. Nog een uurtje draaien, keren, dommelen, en dan sta ik op.

Bij het checken van mijn email verneem ik dat René gisteren een steen in zijn oog gekregen heeft en in het hospitaal beland is. Zijn motor is op een vrachtwagen gezet en naar de stad 40 km verderop gevoerd. Hij is terug op hotel en krijgt morgen nog een controle bij de oogarts. Die spreekt enkel Turks. Ik passeer deze namiddag langs Igdir en spring dan eens binnen in zijn hotel.

Het ontbijt is summier maar smaakt mij toch: er liggen heel wat voor mij onbekende charcuteriesoorten, en daar blijf ik liever van af. Brood en kaas, een enorme schotel met een berg boter er op, thee, veel soorten confituur, honig en nutella; wat wil een mens nog meer?

Dan inpakken en wegwezen. Ik rij eerst richting het enorme kasteel dat uittorent boven Kars. Het is mooi gelegen aan de overkant van een wild stromende rivier. Ik ga vandaag Ani bezoeken, op 45 km van hier, min of meer op mijn route naar de berg Aratat, ongeveer het verste punt van deze reis, en dus ook het keerpunt. Ani was de vroegere antieke hoofdstad van Armenië of Armenistan dat zich vroeger uitstrekte over een groot deel van Oost-Turkije. Het ligt net voor de grens met Armenië, nog op Turks grondgebied.

Eerst nog tanken. En daar gebeurt het. Ik rij het terrein van het tankstation op, sta een eindje achter een grote witte bestelwagen, genre Opel Movano, en die begint daar plots snel achteruit te rijden recht op mij af. In een fractie van een seconde denk ik “Liever mijn gat dan mijn neus”, daarmee natuurlijk mijn moto bedoelend. Ik draai aan mijn stuur, geef gazze en tracht naar links uit te wijken, maar hij raakt nog net het uiterste hoekje van mijn rechter koffer en breng mij ten val. Jullie kunnen het zich voorstellen, direct komt iedereen op mij af gesneld om mij te helpen. Ik krabbel al snel recht, en moet iedereen opzij duwen, want ze willen mijn moto zomaar rechttrekken zonder enige kennis van zaken. Ik zet mijn motor eigenhandig weer recht, maar kan niet vermijden dat een van de omstaanders mij probeert te helpen door aan mijn windscherm te trekken, en dit zodoende afrukt. Aan de motor is geen schade, behalve mijn groen fluostickertje op de koffer dat nu half loshangt, en een paar schrammen op mijn linker koffer. Maar ik heb nu nog zeker een half uur werk om dat windscherm opnieuw te bevestigen. Door de val heb ik mijn linker voet, mijn rechter onderbeen, en mijn linker pols wat verzeerd. Ik zal vanavond of morgenvroeg de schade eens opmeten; het duurt soms een tijdje vooraleer je de pijn begint te voelen. Nu eerst tanken. Ik betaal en sla ondertussen wat water in. De pompist biedt mij thee aan, wat ik vriendelijk afwijs omdat ik hier al genoeg tijd verloren heb. Dan het scherm weer vastzetten, terwijl ik voortdurend de omstaanders er moet van weerhouden om mij te ‘helpen’. Alles komt perfect weer op zijn plaats, en ik kan dus weer verder.

Een uur later start ik mijn bezoek aan de ruïnes van Ani, indachtig dat in deze regio, en natuurlijk meer zuidelijk, de gebieden tussen Tigris en Eufraat, de wieg van onze beschaving te vinden is. Ik ben hier wel even zoet. Stel u maar eens een stad voor waar ooit honderdvijftigduizend mensen woonden, en waar ik, aan de hand van wat puin en wat uitleg in een gids, mij ga trachten een beeld te vormen van wat hier ooit geweest is. Ani kende een hoge welvaart als het centrum van culturele, religieuze en economische activiteit. Het was een belangrijke halteplaats voor de karavaanreizigers van de Zijderoute. Na verschillende belegeringen werd de stad in de 16de en 17de eeuw verlaten. In Ani stonden veel religieuze gebouwen en werd daarom ook wel de “Stad van 1001 kerken” genoemd

Het is een lastig parcours, onder die brandende zon, al mankend met rugzak en motorpak, maar gelukkig enigszins beschermd door hoedje en zonnebril, wat natuurlijk wat bekijks uitlokt van de andere bezoekers.

Terug op de motor: nu de weg vinden naar Digor, want die zit niet in mijn TomTom, maar wel in mijn Lumia. Een eerste aan wie ik het vraag toont mij de weg door het dorpje. Ik volg zijn aanwijzingen, en passeer aan een militaire post (Jandarme). Daar staat een jonge snaak op wacht, met helm op, en gewapend met een grote mitraillette. Ik hou halt en vraag hem of dit de juiste weg is. Hij weet het echter niet en roep er de commandant bij. Die weet het wel, en zegt mij in gebrekkig Engels dat ik op de goede weg zit. Hij vraagt mij echter van de motor te stappen, de motor opzij te zetten, … en thee bij hem te komen drinken. Allez dit komt goed uit, ik heb toch dorst, en het is toch weer eens iets anders, dan naar de problemen van zieke mensen te luisteren. Hij leert mij kennis maken met zijn zoon van drie jaar, hij vertelt dat hij van uit de buurt van Istanbul komt, en dat hij na deze post overgeplaatst zal worden naar Kaiseri vermoedelijk. Hij is bijzonder verheugd wanner ik hem vertel dat ik huisarts ben in Belgie, drie dochters en twee kleinzonen heb. Ik breng duidelijk wat afwisseling en bovendien wat meer aanzien als hij kan vertellen een Belgische arts te gast gehad te hebben. Ik neem wat foto’s van hem en zijn zoontje, even oud als Kobus, en ook een van de kleine op de moto, en hij geeft mij ook zijn face- book-adres. Ik moet ook eens een facebook-pagina aanmaken voor mijn contacten op reis. Ik moet eens aan de specialisten thuis vragen om mij hierbij te helpen.

Dan volgt een vijfentwintig kilometer lange rit over rotsweg en gravel, op enkele kilometers van de Armeense grens. Ik zit nu wel veilig, want ik heb de foto’s bij van de grote chef en zijn zoon. Ik moet er ook nog bij vertellen dat mijn Lumia mij op elk moment heel precies aangeeft waar ik ben, en op welke hoogte. Toch een ongelooflijke uitvinding die GPS ! Als ik vijf meter afwijk van de weg geeft die dat reeds aan. Links en rechts van dat baantje zie ik nu en dan kleine dorpjes.

Terug op de grrote weg vervolg ik mijn weg naar het Oosten, en bereik ik op klokslag vier uur Hotel Imperator in Igdir, waar Erik en René ook net toekomen vergezeld van een taxichauffeur, die twintig jaar in Keulen gewoond heeft. Ik bekijk het oog van René, de medicatie die hij kreeg van de oogarts, en bedenk dat hij veel geluk heeft gehad en de schade vermoedelijk zal meevallen en beperkt zal blijven tot een tijdelijk ongemak en een hele hoop achterloop. Zijn zicht is ondertussen al veel verbeterd, en hopelijk is de wazigheid die hij nu nog ondervindt uitsluitend te wijten aan de medicatie. Morgenvroeg nog eens controle bij de oogarts.

Eergisteren hebben zij de weg gevolgd die ik ook nam, maar zijn door het vreselijke onweer in overstromingen, weggespoelde wegen, modder, sneeuw en vrieskou geraakt. Ze hebben het echter zonder kleerscheuren overleefd. Willem is deze morgen reeds verder getrokken op zijn eentje. Hij moet voor 1 juni terug thuis zijn.

Iets na vijven verlaat ik René en Erik. Ik bezoek nog eens de grote moskee in Igdir, en vang dan mijn koninginnenrit aan langsheen de berg Ararat (Agri Dagi), meer dan vijfduizend meter hoog, en met besneeuwde toppen die schitteren onder de laatste roodgele stralen van de avondzon.

Kan ik mij een betere afsluiter wensen, behalve dan weer een behouden aankomst en hartelijke ontvangst in Hotel Ertur in Dogubayazit. Dan eens goed gaan eten: een linzensoepje, gevolgd door redelijk pikant gestoofd lamsvlees met rijst, en dat alles overgoten met een grote fles blussend water.

Dan het verslag afwerken en de piere in.

Eddy schreef:

Dinsdag 19 mei. Vandaag wat schuimkopjes op het water. ’s Morgens zie ik enkele dolfijnen; eerst 3 samen en later nog 1. Ze lijken tamelijk klein en zijn bruin.

Na de middag komt de Krim in zicht. Het schip begint vlugger te varen en zou pas de haven kunnen binnen lopen wanneer een andere ferry de ligplaats heeft verlaten.

We passeren Sebastopol en er steekt meer wind op (zeker de schuld van de Russen). Wanneer de Krim terug uit het zicht verdwijnt, neemt de wind af en wordt het terug aangenaam warm.

Aan boord is ook een Turk uit Antalya die degelijk Frans spreekt en me geruime tijd aan de klap houdt.

Dag  17+3 (woensdag 20 mei 2015):

Dogubayazit > Dyarbakir TR 500 km

Vandaag een grote rit voor de boeg. Oorspronkelijk had ik gepland langs Van te passeren, een grote stad aan een enorm gelijknamig meer, maar de oude stad, drieduizend jaar terug hoofdstad van het bijbelse koninkrijk Urartu (Ararat), is verwoest tijdens de eerste wereldoorlog, toen Turken en Koerden samen de Armeniërs en Russen verjaagd hebben. Wat niet door de oorlog werd verwoest, werd plat geveegd door een grote aardbeving in 2011. Deze streek is bovendien het epicentrum van het Koerdisch-Turks conflict. In plaats daarvan rij ik rechtstreeks langs het Noorden van het Van-meer naar Diyarbakir, zo een vijfhonderd  kilometer te zuidwesten van hier. Daar blijf ik dan twee nachten, zodat ik tijd heb om de stad op mijn gemak te bezoeken.

Nu eerst nog ontbijten, dan mijn ketting smeren, inpakken en wegwezen. Ik rij nog eerst zuidwaarts, dwars door de stad naar de Ishak Pasja Saray, een gerestaureerd paleisje uit de 1e eeuw, waarin zich als het ware enkele zwoele nachten uit ‘duizend en één nacht’ hebben afgespeeld. Een magische plek op een hoge rots, met uitzicht op de 5000m hoge Agri Dagi, en op dit vroege ochtenduur nog koel en vrij van zwermen toeristen. Ik waar een uur lang door kelders, kerkers, keuken, ontvangstzaal, harem, gastenkamers, binnentuinen en moskee. Het ganse gebouw was indertijd reeds voorzien van centrale verwarming, waterleiding en waterafvoersystemen

Nog even had ik deze morgen getwijfeld of ik wel voldoende tijd had om dit te bezoeken, maar nu tuf ik alweer rustig en uitermate voldaan op de Transalp bonkend en hobbelend op de slechte wegen doorheen de stad naar de grote weg die mij aldra naar Diyarbakir voert. Ze spuiten hier geregeld de straten proper met water, maar ze herschapen het overvloedige stof en zand enkel in een modderige massa, waardoor je nog voortdurend moet gaan opletten geen uitschuiver te maken. Veel wegwijzers hoef je hier niet te verwachten, maar er zijn wel overal behulpzame praatpalen, die mij vriendelijk en met veel gebaren de juiste richting uitsturen, en toch ook steeds vragen waar ik vandaan kom. Ik heb ondertussen Belzhika op zijn Turks leren uitspreken, en als dat niet volstaat komt er nog ‘Brussels’ bij, en dat verstaan ze allemaal.

Ik blijf nog geruime tijd op de hoogvlakte. Zo een honderdvijftig kilometer van mijn traject verloopt langsheen het Van-meer, met haar unieke azuurmelkachtige kleur, en telkens als je denkt dat je er voorbij bent, duikt het weer in al haar schittering op om de bocht. Langsheen het meer ligt opnieuw een prachtige berg met zwaar besneeuwde top: het is de slapende vulkaan Nemrut Dagi. Het meer heeft geen uitloop; het water verdampt, of verzinkt; het heeft dan ook een hoog zoutgehalte. Het ligt nog steeds in de Noordoost-Anatolische hoogvlakte, en het er heerst hier dan ook nog een heel aangename temperatuur.

Dat laatste slaat echter geheel om bij het doorkruisen van het stadje Bitlis, waar de hoogvlakte eindigt, en ik op vloeibare asfalt de helling tracht af te schuiven. Dit lukt mij zonder kleerscheuren en teervlekken, doordat ik met het Transalpje voorzichtig de uiterste rechtse droge halve meter van de weg kan gebruiken. Ik begin er van te zweten, temeer daar die asfalt ook niet zomaar vanzelf gaat smelten. Gelukkig duurt deze beproeving niet lang, en gaat het vanaf nu over een vierstrook autoweg in redelijk goede staat recht naar Diyarbakir, eerst langs een Cappadocië-achtig landschap, maar wat verder langs heel uitgestrekte prachtig groene en dense graanvelden, die aantonen dat de zon hier geen alleenheerser is. Ik heb voldoende water meegenomen, wat ik gretig gebruik zowel om te drinken, als om mijn kleren ter afkoeling wat nat te maken.

Goed aangekomen in Diyarbakir om 18u45, na een zware rit.

Ik heb logement genomen in Hotel Kervan Saray. Je kunt het hotel vergelijken met een Parador of Poussada, maar dan natuurlijk aan een derde van de prijs, en vanzelsprekend op zijn Turks. Het is een toplocatie van ‘a few in a lifetime’. Zoals de naam het zegt is het hotel gevestigd in een oude caravanserail gelegen op de zijderoute, midden in de oude ommuurde stad. Hier heb je voor 100% het Midden-Oosten gevoel. De grens met Syrië is dan ook niet zo ver af.

Ondertussen heerlijk gegeten: weer zo een gestoofd gerecht met brokjes kip en veel groenten. Ik heb het niet op gekregen, niettegenstaande ik het brood niet aangeraakt heb. Een dessert kan er echt niet meer bij. Ik had er nochtans naar uitgezien, je weet wel, zo een groot stuk taart met een hele stravve koffie er bij… En het loopt hier vol met knipmessen, je weet wel, heel vriendelijk, en met wit hemd en zwarte broek.

Er is  achter het hotel, net aan mijn slaapkamer, een groot trouwfeest aan de gang, met van dat joelend oorverdovend gezang. Het weerhoudt mij gelukkig niet om binnen de tien seconden als een blok in slaap te vallen.

Eddy schreef:

Woensdag 20 mei. Rond 6 uur loopt het schip de haven binnen. Er is geen ontbijt meer voorzien. De paspoortcontrole gebeurt vanaf 7 uur in het restaurant en de motards zijn eerst aan de beurt wat die moeten eerst van boord zodat de rest van de vracht kan uitgeladen worden.

Van boord moeten we naast de toerit van het schip gaan staan en wachten. Er komt een vrouw die de nummerplaten nakijkt aan de hand van een lijst die bij afvaart is opgesteld.

Vervolgens komen er een aantal norse, in uniform geklede mannen voor verdere controle: eerst het chassisnummer, dan speurtocht naar drugs door een zwarte Labrador, dan het zelfde door een witte Labrador, dan controle naar geneesmiddelen.

Enkele dagen later in Oostenrijk, vernemen we van een motard uit Namur dat zijn tabletten Sinutab werden afgenomen en dat hij bovendien een boete moest betalen (efedrine).

Vervolgens gaat Rob en Boris (de Oekraïner) met de paspoorten en inschrijvingsbewijzen naar de andere kant van het grote plein. Na een tijd komen ze terug om geld op te halen want er moet eerst betaald worden voor de vereiste documenten en stempels. Nadien komen ze nog eens terug want nu moeten ook de motoren die kant uit. Aan een ander gebouwtje komt een vrouw, zo breed als een stopnaald en gekleed in een rode broek en witte bloes met schoenen met zolen van 8 cm dik en naaldhakken van 20 cm, met een geigerteller meten of onze motoren niet radioactief zijn. Wanneer Lex een foto van haar neemt ontsteekt ze in woede, pakt de smartphone af en eist dat Lex de foto verwijderd. Dan moeten de documenten van het vorige bureau ook door haar afgestempeld worden.

Dan moeten we weer in de richting van de eerste standplaats maar aan de andere kant van de spoorweg. Daar moet ook nog een stempel gezet worden. Om 12u35 is die stempel ook gezet en kunnen we het haventerrein af, denken we. Aan de uitgang met slagboom willen we ons meermaals afgestempeld formulier afgeven maar dat kan niet. We moeten opzij gaan staan, in een laatst bureeltje nog een stempel ophalen na vergelijking van het inschrijvingsformulier en het havendocument. Dan mogen we uiteindelijk de haven van Ilyichevsk verlaten voor een korte rit naar het Continental Business hotel in Odessa. (65191 km)

Daar aangekomen spuit er koelvloeistof uit de Triumph Tiger van Patrick. Er wordt koelvloeistof en een aantal nieuwe zekeringen gekocht zodat de motor de volgende dag terug de baan op kan.

Ondertussen neem ik een douche en bel naar Nikolay die me een half uurtje later oppikt. We gaan naar huis waar Galja lekker gekookt heeft. Het is ook hier een hartelijk weerzien. Na het eten brengt Nikolay me naar de Arkadia dat totaal van uitzicht is veranderd sinds we er de vorige keer waren, althans de toegangsweg. We drinken een koffie op een strandterras en rijden terug naar huis. We eten nog wat en dan brengt Nikolay me terug naar de stad waar we nog een wandeling maken alvorens ik terugkeer naar het hotel.

Dag 17+4 (donderdag 21 mei 2015):

Rustdag in Diyarbakir TR

Deze morgen wakker geworden na een rustige deugddoende nacht. Het duurt even voor ik goed en wel besef waar ik ben. Mijn kluisje is niet groot, maar het omvat alle gewenst comfort. Ik lees er eerst mijn reisgids op na. Ik zit momenteel in de hoofdstad van het Koerdisch gebied. Sinds de gevangenneming van Abdul Öcalan, de leider van de Koerden, is het hier heel wat rustiger geworden, en zeker sedert dat de Turkse regering ook een charme-offensief gestart is naar de koerden toe. Dat laatste verklaart waarschijnlijk die verschillende gloednieuwe universiteitscampussen die ik aantrof in Koerdisch gebied.

Vanuit mijn kamertje kijk ik uit op een aanlokkelijk zwembad. Het wordt al gauw zeven uur, en ik neem het ontbijt op de binnenplaats  van de caravanserail. Daarna nog wat aan het verslag werken in gezelschap van enkele koppen verkwikkende chaï. Dan enkele onvermijdelijke emails verwerken. René laat mij weten dat hij momenteel in Van zit, en dat zijn oog toch wat meer rust nodig heeft om goed te herstellen. De reis is dus voor hem afgelopen. Wat nu met Erik? Kan of wil hij mee naar huis op kosten van de reisverzekering van René, of gaat hij in op mijn aanbod om de reis met mij af te maken?

Nog mijn was en plas wat afwerken, en dan verlaat ik het hotel, op stap door deze mierenhoop. Eerst een korte wandeling op de muur, of eerder in de muur, want de wandelgang is deels overdekt, met kijkgaten in de wanden. Op een hoog punt kijk ik uit op een zevenbogige brug over de Eufraat. (Herinneren jullie je nog mijn vermelding dat deze regio behoort tot het Noordelijkste deel de wieg van onze beschaving? Mesopotamië betekent immers het land tussen twee stromen, en één daarvan is de Eufraat.)

Ik moet opletten mijn ogen niet te verliezen, want ze rollen bijna uit mijn oogkassen, aangetrokken door het schouwspel van deze rommelige, en toch geordende samenleving, waarin eenieder zijn kleine rolletje tracht te spelen, met hoe weinig middelen ook. Neem nu de theeverkoper, die met een schaaltje met daarop tien glazen thee, over straat, van winkeltje naar winkeltje loopt om zijn weinig kostbare, maar toch zo gewaardeerde product aan de man te brengen. Als het mij wat te warm wordt, duik ik opzij een soekh in. Geuren komen mij hier tegemoet; sommige onaangenaam, sommige nieuw of bedwelmend. Ondertussen vind ik hier misschien wel sleuteltje 14-15, dat ik thuis vergeten ben, en dat meer geschikt is dan mijn tangetje om mijn ketting aan te spannen. Dan passeer ik langs de kaasmarkt. Ik zie die mensen daar met hun blote handen de brokken kaas of wrongel uit kuipen vocht te halen, en sta er toch weer van versteld hoe die eenvoudige micro-organismen, welke melk in kaas omtoveren, tegelijkertijd in staat zijn om ziekte- en bederf veroorzakende kiemen te overheersen, zonder enige vorm van koeling dan ook.

Ik bezoek de grote moskee, deels een voormalige byzantijnse kerk, met een grote prachtige binnenplaats en versierde arcaden, die enigszins doen denken aan een claustrum. Na het middaggebed mag ik binnen in de moskee, die niets meer bijzonders te bieden heeft buiten haar uitgestrektheid en de eenvoudige strakke zwarte basaltblokken construktie onderbroken door witte rijen stenen. De meeste mannen die de moskee verlaten na het gebed zijn grijzend of bejaard. De jongeren zitten blijkbaar met andere dingen in hun hoofd. Ik zag er daarstraks nochtans voldoende rondhangen buiten de moskee. In de moskee zelf zitten heel wat mannen met hun smartphone te spelen. Waar heb ik dat nog gezien… Eéntje ligt er zelfs te slapen.

Rechtover de moskee bevindt zich het enorme Hasan Pasa Hani, ook een zestiende-eeuwse caravanserail, mooi gerestaureerd, en ingenomen door tientallen winkeltjes, cafeetjes, en terrasjes. De ganse binnenkoer is overspannen met stukken zeildoek om de strafste hitte buiten te houden.

Een theetje later ga ik weer op stap. Ik passeer langs de metaalbewerkers en vind algauw mijn sleuteltje 14-15 voor 4 Turkse Lira (1,5Euro). Dan beland ik in een voormalige Turkse villa, welke een museum huisvest. De inhoud is op zichzelf niet veel soeps voor mij, want betreffende muziek en poëzie, en allemaal in het Turks. Bijna alle vertrekken zijn vrij toegankelijk, hetgeen mij toch toelaat de mooie architectuur en enkele meubeltjes te bewonderen.

Dan is het weer tijd voor een theetje op een binnenplaatsje van een andere villa. Hier kan ik wat uitrusten en mijn verslag opmaken. Het is al gauw 15u. Tijd om op te krassen, en op zoek te gaan naar een paar andere bezienswaardigheden.

Op weg naar een moskeetje met een prachtige Perzische minaret passeer ik voorbij een bakkerijtje waarin ze naarstig aan het werk zijn. Ik vraag een fotootje mogen nemen, en je raadt het al: van het een komt het ander: de kinderen worden buitengejaagd, want zoiets ernstig als thee drinken is enkel voor mannen, en twee theetjes, twee bekers lekker fris water, een ringvormig maanzaadbroodje, en een fotoshoot later sta ik buiten, met het facebookadres van de patron in mijn Lumia opgeslagen. Ik ben toch enigszins onder de indruk van deze ontmoeting, want de baas stak mij zoëven een foto van zijn grote idool onder de neus: een vervaarlijk uitziende koerd, gewapend met een groot machinegeweer.

Dan een bezoek aan de mooie moskee die uiteindelijk toch het doel van mijn bezoek aan die wijk was, en alweer volgt een fotoshoot met enkele bejaarde locals in de moskee, maar ditmaal zonder thee.

In een drukke straat voel ik en hoor ik iemand het kleine ritsje van mijn rugzakje opentrekken. Het onderste tasje zit vol ritselplastiek. Ik draai mij met een ruk om naar de gauwdief; hij heeft geluk dat hij mijn zwierende ellenboog niet in volle aangezicht in ontvangst neemt, en geschrokken kiest hij het hazepad. Ik doe het ritsje weer dicht. Het zakje is weer ritselklaar voor het volgend slachtoffer.

Ook een Armeense kerk en een Armeense villa blijken een bezoek meer dan waard. En hier zie je dan ook weer dat vroeger conflict opduiken. Hier woonden vroeger ook veel Armeniërs. Ze hadden zelfs de helft van het bestuur van deze stad in handen, hetgeen betekent dat de rest van het bestuur verdeeld werd onder Turken, Koerden, en nog andere minderheden. De Armeniërs werden na WOI verdreven (of de dood ingejaagd) en nu leven de Koerden onder de plak van de Turken, wat hen zeer zwaar op de maag ligt.

Het is vijf uur in de namiddag gepasseerd, en ik heb nu wel genoeg gediyarbakierd vandaag. Ik keer terug naar het hotel, neem een douchke, en ga een half uurtje zwemmen, helemaal aleen in dat grote zwembad. Het water is heerlijk. Nadien ben ik moe; is het door tekort aan conditie of door de leeftijd? Ik zal het maar op het warme weer steken.

Dan mijn verslag van vandaag bijwerken, dineren op de binnenplaats van het hotel, terwijl de straaljagers en bommenwerpers af en aan over Diyarbakir vliegen tussen Syrië en Turkije. Dan nog de oproepen tot gebed vanop de minaretten… Echte rust is mij nog niet gegund.

Goed; dat volstaat! Ik pak mijn straaljager naar dromenland.

 Eddy schreef:

Donderdag 21 mei. Direct na het vertrek al terug problemen met de Tiger. Er wordt gestopt aan een carwash en het vuil wordt van de radiator geblazen met een hogedrukreiniger. Dit helpt niet. De ventilator doet het niet. Rob rijdt met Patrick naar een Yamaha-dealer voor hulp. Lex, Jeroen, Martin en ik rijden verder naar de grens. Hierbij moeten we ontzettend grote putten ontwijken. Aan de Oekraïense grenspost krijgen we geen uitgangsstempel maar een briefje waarop onze nummerplaat staat vermeld. Even verder splitst de weg; rechts naar Moldavië en links door niemandsland terug Oekraïne binnen. De Moldavische grenswacht vraagt waar we naartoe willen en ook of we een ‘talon’ hebben. Moldavië en ja geven als resultaat dat we niet de grens over mogen maar linksaf worden gestuurd. Aan een andere Oekraïense grenspost geven we onze ‘talon’ af en we zijn terug binnen. We rijden verder en slaan rechts af. Na enkele kilometers over ontzettend slechte weg komen we terug aan een Oekraïense grenspost. Een eerste controle van ons paspoort, dan controle door de douane en uiteindelijk aan een winket voor de uitgangsstempel. Ik ben de laatste en verneem dat we eigenlijk aan de verkeerde grenspost buiten gaan. Het staat vermeld in ons paspoort dat we langs Majaka buiten moesten. Gelukkig worden we niet terug gestuurd. Aan de Moldavische kant lopen toezichters van de E.U. uit Polen; ze gaan Moldavië toch niet in de E.U. halen zeker? Wat dan met Transdnjestrië? De stempels van de grenscontrole zijn alleszins al gelijk aan die van de E.U.-landen.

De wegen blijven vreselijk slecht. We stoppen aan een restaurantje waar we pizza eten en bronwater drinken voor € 4.

We bereiken de Roemeense grens en stellen vast dat ook daar de wegen slecht zijn. Er rijden ook veel paardenkarren voorzien van een nummerplaat (?) en veel landarbeiders komen met een zeis en een hark op de schouder te voet of per fiets van hun veld. Wat heeft dit land te bieden aan de E.U. behalve gebiedsuitbreiding?

In Iasi verblijven we in het mooie Pleiade Boutique hotel. (65551 km)

De Tiger is hersteld geraakt door het plaatsen van een ventilator van Yamaha ter vervanging van de originele.

Rob neemt een aantal mee naar Little Texas, het hotel waar de reservering werd geannuleerd, om er te eten. Ik eet met Martin en Stefan in de Pleiade en de kwaliteit is uitstekend. Ik verneem later van Lex dat het in Texas gewoon slecht was; waarom gaat Rob er dan naartoe?

Dag 17+5 (vrijdag 22 mei 2015): Diyarbakir > Malatya TR

Het is vijf uur. Er is geen elektriciteit en geen stromend water. Vermoedelijk door het dreigend onweer. Dan maar een wandelingetje gaan maken op straat voor het hotel, ongewassen, ongeschoren, en met wilde haren: zo val ik hier ook het minst op. De muggen zijn ook reeds wakker en ik word verschillende keren gestoken. Terug naar de zwoele kamer, waar ik venster en deur openzet voor wat ventilatie.

Ik wacht tot halfacht om te gaan ontbijten, want rap zijn ze hier niet ’s morgens. Het is zachtjes aan het druppelen, en het ontbijtbuffet kan nog niet uitgestald worden. Ik neem plaats en wordt behulpzaam van alles aangeboden, maar er is nog geen thee en geen brood. Dus neem ik eerste een ‘zeemvelletje’, smeer er boter en honig op, en rol het op zoals een crêpe. Tenslotte komt er wat brood: warm en ovenvers. Voor het eerst ook een banaantje in weken. De thee komt er uiteindelijk ook aan, maar is zo heet dat ik mijn gebruikelijke halve liter niet naar binnen krijg.

Indien Dogubayazit nog niet het echte keerpunt was, dan is Diyarbakir het zeker wel, want dit is het meest zuidelijke punt van mijn reis. Ik ben hier op 100 km van Syrië, op 200 km van Irak, en op meer dan 4000 km van thuis. Deze reis, en zeker de laatste drie van de zes weken, zijn een proef (een beproeving) of ik het zo een lange periode kan stellen zonder de mijnen, en in het bijzonder zonder mijn vrouw. Dit lukt wonderwel zolang de adrenaline door de aders kolkt, of wanneer ik doodmoe op mijn bed neerval. Maar er zijn ook de moeilijke momenten, waarbij je je afvraagt of er nog wel een vervolg op dit soort reis komt.

Ik pak mijn bazasse, betaal en verlaat het hotel, en stap beladen als een muillezel naar de moto. Ik vind die terug, mét wielen, koffers, en spiegels er nog aan. De waker bekijkt mij fier en glimlachend: hij heeft hier twee dagen gewaakt, dag en nacht. Ik ga hem bedanken, en tijdens het handenschudden verandert een briefje van tien Euro van eigenaar. Dat is vermoedelijk heel wat meer dan zijn dagloon. Dit is een ook kleine geste naar mijn collega’s motards, die hier in de toekomst ook hun moto zullen plaatsen. De regendruppels van deze nacht hebben mijn motor bedekt met woestijnzand. Ik zoek wel een plaatsje om dat alles af te spoelen.

De weg naar Malatya is niet zo heel ver. Ik neem niet te veel hooi op mijn vork vandaag, want er wordt mogelijk onweer voorspeld. Malatya wordt mijn eerste echt Turkse bestemming. De route is eerst wat eentonig langsheen tarwevelden, maar dat verandert wanneer ik de bergen inrij, en er rukwinden en onweders in de verte opduiken. Ik slaag er telkens net in om de buien te ontwijken. Ik vang enkel wat verfrissende regendruppels, die mij wat aangename afkoeling bezorgen. Onderweg passeer ik inderdaad een bronnetje langs de weg. Met een van mijn plasticbakjes vang ik het water op, en een kwartiertje later blinkt mijn motor toch al weer een klein beetje. Dan passeer ik langsheen kilometerslange abrikozenboomgaarden: Malatya is de hoofdstad van de abrikoos.

Ik bereik het hotel omstreeks 15 uur. De receptionist vindt onmiddellijk een veilig plaatsje voor de motor in de kelder bij het wasgoed. Het hotel heeft zijn beste tijd gehad, maar de staff is heel vriendelijk en behulpzaam.

Dan even douchen, de straat over, en 1 minuut later verdrink ik alweer in de geuren, de geluiden, en de indrukken van het Midden-Oosten. Wat ik allemaal zie is onmogelijk op te schrijven; ik vermeld enkel dat steegje, met wel 50 schoenlappers naast elkaar.

Het druppelen wisselt af met buien, en de soeks zijn dan ook een welkome schuilplaats tussen de bezoeken aan een aantal pleintjes en monumenten. Tijdens een hevige bui ga ik wat eten, voortreffelijk klaargemaakt ditmaal. Dan nog wat kriskras door straatjes en steegjes en soeks, en net voor 19 uur hou ik het voor bekeken en duik mijn hotel weer in. Deze stad toont nogmaals de dualiteit van een moderne Moslemstaat: met het ene been in de middeleeuwen, en met het andere in de 21e eeuw: deze stad illustreert dit heel prachtig: het grote oude levendige centrum met eeuwenoude soeks, en daarrond de nieuwe moderne stad.

Eddy schreef:

Vrijdag 22 mei. Ik rijd samen met Lex, Jeroen, Patrick en Martin. We moeten een bergkam over met een heel slechte weg maar toch wordt er de pees op gelegd. Wanneer we aan de andere kant beneden zijn is Martin, die laatste reed, verdwenen. Stefan die later de rug oversteekt heeft hem ook niet gezien. Lex en Jeroen keren terug op zoek, de rest gaat verder. Onderweg krijgen we vlagen hagel en regen over ons en koeien, paarden en geiten over de weg. Grote concentratie voor het vermijden van gaten in de weg is vereist maar soms zijn ze niet te zien door water dat over de baan loopt. Behalve over bergruggen rijd je van het ene dorp in het andere waar het maximum snelheid 50 km/u is. Gelukkig is er geen politiecontrole!

We komen aan in hotel Marmatia in Sighet. (65973 km)

Achteraf vernemen we dat Lex en Jeroen Martin niet hebben gevonden. Wanneer die nog later toekomt, blijkt dat die niet kon volgen, was verkeerd gereden en het niet nodig vond om wie dan ook te verwittigen!

In de tuin van het hotel is er een disco voorzien. Het gedreun is niet te harden in onze kamer en ik pak mijn matras en ga in de gang liggen. Na een tijd komen er logees van de tegenoverliggende kamer evenals iemand van het hotel. Hij gaat beneden kijken wat mogelijk is maar heel het hotel is volgeboekt. Omstreeks halfvijf word ik wakker en blijkbaar is het lawaai geëindigd. Ik sleur mijn matras terug in de kamer en slaap verder.

Lex schreef:

“Zojuist wakker geworden in Iasi en nu aan het ontbijt. Het is vandaag prachtig weer. Toen we hier gisteren aankwamen was het 30 graden.

De boottocht vanaf Batumi was heerlijk ontspannend na de lange dagen op de motor. We konden goed uitrusten en het eten werd 3 x per dag op vaste tijden verzorgd. De kwaliteit daarvan was boven verwachting goed, alhoewel niet iedereen het altijd lekker vond.

In de haven van Odessa waren we in recordtijd op de kade, toen heeft het echter nog 5,5 uur geduurd voordat we alle stempels hadden verzameld om Oekraïne binnen te mogen. Zonder de hulp van Boris, een jonge motorrijder uit Odessa, die ook meevoer, had het nog veel langer kunnen duren.

Odessa is prachtig. Het heeft grootstedelijke grandeur en provinciale lieflijkheid. Ook de vrouwen hebben leuk genoeg dezelfde eigenschappen. ‘Ukraine girls really knock me out’, zongen de Beatles al, wat mij betreft hebben gelijk. Na ons vertrek naar Moldavië kreeg Patrick problemen met de koeling van zijn motor. De aanjager sloeg niet meer aan. Uiteindelijk is Rob gekomen en zijn zij samen naar een Yamaha garage gegaan waar ze een andere ventilator hebben gemonteerd. Ondertussen reden wij door naar Roemenië en kruisden we twee grenzen zonder problemen.”

Oekraïense vrouwen met ‘grootstedelijke grandeur en provinciale lieflijkheid’? Jaja, lange benen en hoge hakken…en een heel kort shortje.

Dag 17+6 (zaterdag 23 mei 2015):

Malatya > Capadocië TR

Deze morgen blijkt het regenen gestopt. Het belooft een mooie dag te worden: uitstap naar Capadocië. Ik was hier reeds in december met Christien, maar vanop de moto zal dit wel een andere indruk geven. Ik probeer eerst mijn verslag op het web te zetten, maar het lukt niet. Ik stuur hiervoor een mailtje naar Cliff.

Ik heb verder niets meer vernomen van René en Erik. Die zijn vermoedelijk reeds met het vliegtuig op weg naar huis. Het ontbijt is beperkt, maar smaakt mij toch. Ik haal de motor uit de linnenberging, laad de bagage op en rij weg. Het gaat eerst richting Batalgazi, zes kilometer verderop. Dit is eigenlijk het oorspronkelijke Malatya. De oude caravanserail is zo goed als nieuw opgebouwd, maar is zijn ziel kwijt, en heeft geen functie meer, tenzij als locatie voor trouwfeesten en andere party’s? Ook aan de enorme oude moskee is heel wat verbouwd, maar toch zijn hier en daar nog sporen van de oorspronkelijke versieringen met glazuurtegeltjes. Dit was de zijsprong eigenlijk niet waard.

Nu terug via Malatya naar Kayseri, een stad met meer dan 1 miljoen inwoners. Ze kweken hier nogal !

Bij het buitenrijden van Malatya word ik voorbijgestoken door twee Tsjechen op een GS (een 1150 en een nieuwe 1200). Aan de rode lichten kom ik er naast staan, en krijg te horen dat zij naar Armenië geweest zijn, en nu ook zachtjes huiswaarts keren.

Het wordt een nogal frisse rit op een hoogvlakte van 1800 meter, en dat houdt zo uren aan. Ik eet wat yoghurt, welke ik gisteren in Malatya kocht. Ik word nog eens voorbijgestoken door de Tsjechen, die ondertussen gaan tanken waren. Met twee blijft men gemakkelijker wel eens ergens ‘haperen’. In de verte zie ik nu en dan een onweer of een serieuze regenvlaag.

Een vrachtwagen is op de middenberm gesukkeld… en is er niet weer af geraakt. In slaap gevallen? Of zijn teennagels net aan het knippen? Staat op de film.

In een klein godvergeten dorpje waar de grote weg midden door snijdt, staat een enorme caravanserail, vergelijkbaar met deze in Aksaray. Ik rij het dorpje in, en rij rond het grote gebouw, dat mij nog in goede staat lijkt, maar de enige poort is potdicht. Een hond komt blaffend, maar kwispelstaartend, op mij af. Ik rem onmiddellijk; hij houdt in; ik vertrek weer zachtjes, hij blaft weer, ik rem, hij deinst achteruit, en ik blijf staan tot hij afdruipt. Het staat op de film. Dat was gelukkig nog nen braven. Ik installeer op deze motor binnenkort een ruitensproeier die ik vul met ammoniak.

De rit verloopt zo vlot, dat ik besluit om niet te overnachten in Kayseri, maar door te rijden tot in Capadocië, nog geen honderd kilometer verderop. Ik neem de ringweg rond Kayseri, en daar steekt plots een hond de snelweg over. Ik rem lichtjes, en daar volgt er nog één. Ik rem wat harder, en er volgt nog een hele bende. Ik sla alle remmen dicht. Nu nog opletten dat er geen mankepoot is die een eindje achter komt, én dat er achter mij geen mastodont zit die niet kan remmen en mij vermorzelt… Alles goed afgelopen, maar met wat minder aandacht was ik het zoveelste van de tien kleine negertjes geweest… Geloof het of niet, alles staat op video.

http://www.mediring.be/rossia/honden.mp4

Even later steken de Tsjechen mij al zwaaiend weer voorbij.

Hier en daar is de baan nog kletsnat van de regen, maar zelfs mijn schoenen blijven droog. Het eerste Capadocisch dorpje dat ik aandoe, Ürgüp, een verschrikkelijk drukke toeristische bedoening, rij ik doorheen, en jawel, ik zie de Tsjechen net uitladen. We babbelen even. Ze nodigen mij uit om ook hier te overnachten, maar ik wimpel dit vriendelijk af. Ik heb mijn nachtrust hard nodig, o.a. om mijn verslag te schrijven, en zo een nieuwe kennismaking kan uit de hand lopen. Zij blijven hier twee nachten en maken morgenvroeg een ballonvaart, vooraleer net zoals ik langzaam af te zakken naar huis.

Ik zet mijn weg zachtjes verder, en aan de rand van een kleiner dorpje zie ik plots een bus met Japanners afslaan. Ik volg ze tot aan Hotel Dilek Kaya, waar ik een paar minuten later ingecheckt ben. De receptioniste wil dat ik mijn motor op de autobussenparking plaats, maar na wat aandringen roept ze het hoofd van de Security, die bij het zien van de motor direct met mij verbroedert, en een mooi plaatsje aanwijst in het zicht van de receptie. Het hotel is voor het grootste deel ingehouwen in de rotswand. Hierdoor zijn de kamers aangenaam koel, zij het een beetje donker. Maar wie maalt daar “s nachts om?

Dan een buffetdiner, in de prijs inbegrepen, maar met inbegrip van de Japanners. En nu nog wat tokkelen, en dan er maar mee ophouden. Het is tien uur.

 Eddy schreef:

Zaterdag 23 mei. Rob laat via Lex zijn smartphone weten dat er een vignet nodig is voor de Hongaarse autowegen: weer een bewijs van goede organisatie. Na het ontbijt verneem ik aan de receptie dat voor mijn kamer niet moet betaald worden. Rob is inmiddels ook verschenen en ik zeg hem dat ik geld tegoed heb van hem. Hij zegt dat hij niet aan een kamer gaat betalen maar dat hij het bedrag zal verdelen over de verschillende kamers. Achteraf wordt door Dafne een mail verstuurd waarin dit bevestigd wordt.

Ik ga op pad met dezelfde 4 van gisteren. Onderweg tank ik op 479 km zonder dat mijn bak leeg is. Ofwel hebben ze hier superbenzine ofwel heeft mijn beestje zich echt goed gevoeld en slechts iets meer dan 4 liter gebruikt.

We maken weer een oversteek, ditmaal op super vlak asfalt als een biljartlaken! De tweede oversteek van de dag is op minder goede weg maar gelukkig zonder putten.

Aan de grens kopen we een wegenvignet aan € 7,50. Een stuk in Hongarije stoppen de anderen om te drinken, ik rijd door. Op de snelweg wordt de koeler en iets verder begint het te regenen. Het wordt gevaarlijk op glad asfalt die het water niet afvoert. Mijn motor zwabbert achteraan. Ik realiseer me dat de vering nog slap staat voor de slechte wegen en dus stop ik om de vering terug hard in te stellen waarna het gezwabber gedaan is.  Iets voor Boedapest stopt de regen.

Op 26 km van Györ begint het terug te regenen. Ik kom toe aan hotel Fonte waar de motor van Stefan al staat. (66538 km)

Ik neem een kijkje in het mooie, kleine stadscentrum en eet in een Turks restaurantje. Nadien loop ik Lex op het lijf. We gaan met zijn 5 nog iets drinken en belanden dan in een Belgisch biercafé van Imbev. Ik neem er een gerecht met verwijzing naar Antwerpen maar het vertonen van mijn ‘Antwerpse’ identiteitskaart geeft me geen voordeel.

Dag 17+7 (zondag 24 mei 2015):

Capadocië > Ankara TR

’s Morgens opnieuw Japans ontbijt. Smaakt wel, gaat vlot, maar toch zo snel weer buiten. Ik ben er nog steeds niet in geslaagd om mijn blog online te krijgen, maar ik zal vandaag teruggrijpen naar de oude beproefde methode, die ik vorig jaar gehanteerd heb: de goede oude MediRing website.

Ik rij nog een half uurtje door centraal Capadocië, dat in feite al heel klein is. Niet meer op tijd om de heteluchtballons te zien vliegen, maar wel vroeg genoeg om ze te zien terugkeren naar hun stal, geladen op het platform van pick-ups. Ik passeer langs Göreme, en verschiet er toch van hoe steil die helling is, die we toch ook met de autobus genomen hebben. Dan een eindje over een opengebroken weg, met een enorme stofwolk achter mij. Ik moet toch nu en dan een beetje oefenen voor als het echt nodig is? Dan wat later de grote weg op naar Ankara via Aksaray. Het landschap is aanvankelijk niet meer wat het de voorbije dagen geweest is. Gelukkig staat alles hier mooi groen, en dat samen met de wijdsheid en de rust geeft ook een zalig gevoel. Onderweg zie ik nog enkele mooie caravanserails in perfecte staat langs de buitenkant. Caravanserails zijn overnachtings- en rustplaatsen voor mens en dier. De handelaars reisden in groep om zich te beschermen tegen rovers. Het is misschien nog een idee om een tocht langs de zijderoute te laten starten in Turkije. Of misschien bestaat ook reeds zoiets in Griekenland of ex-Joegoslavië. Marco Polo was immers een Italiaan, en de zijderoute liep dus van Venetië tot China.

Nu ik het toch over Italianen heb; ik ben op deze reis al voor van alles versleten, een Rus, een Italiaan, en vaak een Spanjaard, maar nooit een Belg. Eénmaal dacht men dat ik een Wit-Rus was, omdat op mijn nummerplaat een B staat. Maar wanneer ik er nog bij vertel dat ik niet ver van Brugge woon, dan gaan alle lichtjes (in de ogen) flikkeren, want Club Brugge, dat is een wereldnaam in de voetbalwereld.

Onderweg rij ik een hele tijd langs een enorm meer, dat een oranjeroze kleur heeft, met oevers bedekt door witte of roze kristallen. Dus vermoedelijk een binnenmeer zonder afloop, waar bepaalde mineralen voor de unieke kleur zorgen. Een prachtige ervaring, temeer daar een ‘zilte zeebries’ van over het meer naar mij toe waait.

Onderweg ook nog een paar reusachtige honden gezien, vermoedelijk dat speciale Turkse ras. Gelukkig waren ze rustig en hadden geen interesse in mij.

Rond twee uur uiteindelijk ingecheckt in mijn boetiekhotel Lotis in Ankara. De moto staat veilig? achteraan, uit het zicht. Een heel klein kamertje, maar alles lijkt perfect in orde. Nu ben ik al onderweg naar de citadel, en ben blijven haperen in een Turks restaurantje. Lekker, met vriendelijke bediening, en nog een gratis (?) theetje als toetje. Ik kan er weer tegen. Dan de serieuze klim naar de citadel, die uiteindelijk maar heel klein uitvalt, overgerestaureerd is, maar toch enkele interessante oude villa’s bevat. Ze zijn gerestaureerd met behulp van Monumentenzorg, en staan open voor het publiek. Binnenin is er een massa aan antieke spullen te zien, zoals vroeger in de Roste Muis.

Het begint plots te heel hard te waaien, en een onweer komt op ons af. Enkele druppels vallen. Net op tijd voor la pièce de resistance: het Museum van Anatolische Beschavingen, één van de topmusea van onze aardbol, en dé reden van mijn bezoek aan Ankara. De diverse beschavingen die mekaar hier in Anatolië opvolgden, en waarvan sporen en materiaal gevonden werd, worden hier voorgesteld. De uitgestalde stukken hebben niet enkel historische waarde, maar zijn meestal pareltjes van onschatbare waarde. Dit alles tentoongesteld in, jawel, een enorme caravanserail, waarvan de restauratie reeds bijna een eeuw terug begon, met het oog op het gebruik als museum. Als ik rond halfzeven buitenkom heeft het toch niet geregend.

De komende dagen ga ik het kalmer aan doen, en mijn bezeerde voeten wat meer rust gunnen. Dit wil zeggen, minder stappen, en dus ietwat rapper opschieten richting Watervliet, hoewel je mij volgende week nog niet thuis moet verwachten. Ik heb nog zo een 3000 km voor de boeg. En of ik het nog niet moe ben? Zeker niet, integendeel!

Eddy schreef:

Zondag 24 mei. We vertrekken vroeg met zijn 5. We tanken en kopen een vignet voor de Oostenrijkse autowegen. We betalen echter te veel want we krijgen een vignet voor een auto en niet voor een motor. Vrij snel begint het te regenen en in de buurt van Wenen hangen er lage wolken over de weg.

Aan een benzinestation ontmoet ik de motard uit Namur. Buiten zijn verhaal over de Oekraïense grenscontrole vertelt hij ook dat hij eerder die dag Rob(eert) heeft ontmoet en alles weet over de gebeurtenissen tijdens onze reis.

We rijden aan hoge snelheid door en komen om 15 uur aan in Regensburg. (67068 km)

Ik ga met Patrick een plonsje doen in het zwembadje van het hotel. Nadien zitten we met zijn allen aan de bar en laven onze dorst. We vernemen dan dat Ide niet naar het hotel komt maar verder rijdt naar zijn vriendin.

We kunnen dan ook eten om 19 uur i.p.v. om 20 uur. Later op de avond neemt Rob afscheid van iedereen. Hij reikt me de hand en wenst me nog een goede reis toe zonder dat hij me aankijkt: hij weet zeker wat ik van hun organisatie vind.

Ondertussen kreeg ik viavia nieuws van de anderen:

“René is donderdag begonnen met het treffen van voorbereidingen voor de repatriëring. Toen alles rond leek te zijn, kwam een snuggere bij de alarmcentrale met de opmerking dat hij vanwege een stempel in zijn paspoort zonder motor het land niet uit zou komen. Uiteindelijk is het hem gelukt om vrijdagochtend alle noodzakelijke papieren en stempels te verzamelen, waarna voor hem een vlucht is geboekt. Hij vliegt zaterdagochtend via Istanbul naar Düsseldorf.”

“Eric kon ook een ticket krijgen, maar het terughalen van de motor bleek op zijn polis niet gedekt te zijn. Gezien de hoge kosten heeft hij besloten om vrijdagochtend te gaan rijden. Hij rijdt nu via Istanbul naar Igoumenitsa, waar hij de boot neemt naar Trieste.”

Dag 17+8 (maandag 25 mei 2015):

Ankara > Silivri TR 550 km

In mijn Boetiekhotel wordt geen ontbijt geserveerd; daarvoor is het te klein, en het is gelegen tussen en boven de kleine restaurantjes en fastfoodtentjes rechtover de universiteit. Toch besluit ik om eerst te gaan rijden, en pas onderweg te ontbijten.

Dat blijkt een goede beslissing, want in de vroegte verlaat ik om zeven uur zonder fileproblemen de grootstad van meer dan 4 miljoen inwoners. Nu pas vermeld ik erbij dat de asfalt van de straten van Ankara gemaakt is met marmerkeitjes. Marmer is een zacht gesteente, en met moeite harder dan de asfalt zelf, gepolijst door zand en rubber, waardoor de straten spiegelglad zijn, temeer daar er nog een fijn laagje stof op ligt, en dan spreken we nog niet van de regen.

Om acht uur neem ik een ontbijt in een heel moderne tent naast een tankstation.

De rit gaat Noordwestwaarts de bergen in. Even waan ik me zelfs in Noord-Italië of Slovenië. Ik hoop vandaag Istanbul te passeren, dat wil zeggen de Bosporus over. Als de koeien er vroeger over geraakten, moet dat voor mij ook lukken. Er wonen wel wat meer mensen nu en ik verwacht dat die passage van Azië naar Europa geen makkie zal zijn. Het is toch maar wat frisjes, en ik trek dat warm blauw pulloverke aan dat ik van mijn schoonbroer Jan kreeg.

Oei, politiecontrole. Dat is de eerste maal in Turkije; de vorige keren hebben ze mij laten passeren zonder controle. Nu wordt ik er echter uitgepikt, en moet alle papieren laten zien. Hij babbelt voortdurend in het Turks, ik in het Watervliets, we verstaan elkaar dus langs geen kanten, dan knikt hij, en stuurt me met moto en al naar de overkant, waar de politiepost is; “Chaï” zegt hij, en maakt duidelijk dwingende gebaren. Ik gehoorzaam, steek over, parkeer de moto, en installeer mij op de tuinbank buiten. Hij blijft echter zelf achter, op zo een vijftig meter van mij, en controleert gewoon verder de andere auto’s. Blijkbaar is dit niet de eerst keer, want een vrouw komt mij prompt vriendelijk een theetje brengen, en verdwijnt. Ik drink mijn theetje helemaal alleen op, en vertrek dan weer onder zwaaiende gebaren van de twee politiemannen, die naarstig voort doen aan de overkant van de drukke autoweg.

In een eerste tijd is er weinig verkeer op de baan. Ik heb dan ook niet de tolweg gekozen, want daar zit het vol met vrachtwagens en autobussen. Dat zal zo blijven tot ik de bergen verlaat en de grote omgeving van Istanbul begin te naderen.

’s Middags zoek ik een picknickplaatsje met schaduw en rust, en zonder stinkend afval, maar vindt er geen naar mijn zin. Het is ondertussen heel erg warm geworden.

Uiteindelijk kom ik zo dicht bij Istanbul dat ik een tankstation oprij, ga tanken, en dan staand, en beter, wat rondtrampelend, mijn lunch verorber: een broodje dat ik vanmorgen kocht, daar waar ik ontbeet. De pompist en de baas bieden mij een stoel aan, maar het trappelen doet zo deugd, dat ik hen vriendelijk gesticulerend duidelijk maak dat ik wat beweging best kan gebruiken. Maar dan wil ik toch zeker wel een thee? Dat sla ik niet af, en even later vertelt er ene, die wat Engels kan, van zijn militaire tijd in Diyarbakir; hij was er infanteriesoldaat. Fotootje nemen… Ik trek mijn pullover uit, giet wat water in mijn schoenen, en in mijn rug, en kleed mij weer aan om de tocht te hervatten.

De weg voert mij langs Izmit aan de oostkust van de zee van Marmara, met zware industrie, heel veel overslag van goederen, en vele schepen die voor anker liggen, allen met hun neus naar het Westen. Ondanks het steeds toenemend verkeer bereik ik vlot, maar na een hele eind door Istanbul rijden, uiteindelijk de enorme brug die Azië en Europa verbindt. Ik rij over de Bosporus, en sluit hiermee mijn Aziatisch avontuur af, welk begon toen ik de bergen van de Balkan overschreed in extreem andere weersomstandigheden.

Vanaf hier is het evenwel kommer en kwel wat het verkeer betreft. Plots een krakend-schurende knal, en ik zie in mijn achteruitkijkspiegel een grijze auto carambole spelen van de ene kant van de weg helemaal tot aan de andere kant van de weg met drie rijstroken. Gelukkig dat het niet vóór mij gebeurde !

Een half uurtje later ben ik genoodzaakt te stoppen wegens oververhitting. Ik parkeer voorzichtig langs de kant net in een voetgangerszone, en kap in één keer een gans flesje water in mijn keelgat. Dat doet deugd! Ook opnieuw wat water in mijn schoenen, op de borst en op de rug, en mijn airco is weer geregenereerd. Ik had hiervoor ook speciaal een flesje water voorzien. De motor staat geduldig te wachten. Die heeft nergens last van.

Gelukkig had ik gisteravond wat opzoekingswerk verricht, met een optimistische kijk op mijn vorderingen vandaag, en Hotel Cesmeli Kösk gevonden in het mondaine badplaatsje Silivri. Het is gevestigd in een voormalig Turkse villa in het stadscentrum. Vriend TomTom brengt mij er feilloos heen nog net voor vijven. De moto staat onder videotoezicht van de receptie op een privéparking. Het hotel zelf is zo goed als volledig herbouwd, is dus niet zo pittoresk als gehoopt, maar er valt verder niets op aan te merken.

Ik maak een wandeling van een groot uur, langs de haven, door het stadje, en ga dan iets eten. Dat laatste is niet om over naar huis te schrijven, maar het vult. Terug in het hotel zet ik mij op het terrasje en bestel een thee. De ober wil niet dat ik betaal.

Deze kant van Turkije lijkt in geen enkel opzicht meer op hetgeen ik de afgelopen week gezien en beleefd heb. Morgen ga ik naar Edirne, en daar is het naar het schijnt weer op zijn Turks. Een kleine rit van 170 km zal mij daarheen brengen, zodat ik nog veel tijd zal overhebben om daar wat rond te lopen, en mijn reis doorheen Turkije in schoonheid af te sluiten.

Ondertussen heeft Cliff de blog weer aan de praat gekregen. Bedankt, Cliff !

Erik heeft laten weten reeds in Thessaloniki te zitten, en zich goed te amuseren. Ik veronderstel dat Rob en de bende ondertussen thuis aangekomen zijn?

Eddy schreef:

Maandag 25 mei. Aan het ontbijt tref ik Lex en Jeroen. Zij vertrekken nog voor 7 uur. Ik haal mijn laatste spullen in de kamer waar Patrick nog in zijn bed ligt. Ik wens hem het beste en vertrek om 7 uur. In Duitsland gaat het goed vooruit ondanks werken op meerdere plaatsen. 140-150 km/u is geen probleem en om 13u30 sta ik aan mijn garagebox thuis. (67806 km)

Einde van een groot avontuur,

Waarbij de kers op de taart (de parade in Stalingrad) ontbreekt,

Waarbij ik veel geluk heb gehad in de Kaukasus,

Waarbij ik mijn beperkte kennis van het Russisch toch dikwijls heb kunnen gebruiken

En waarbij ik enkele fijne mensen heb ontmoet die ik misschien nooit meer terug zal zien.

Maar ik ben eindelijk in mijn geliefde Stalingrad geweest!

 Dag 17+9 (dinsdag 26 mei 2015):

Silivri > Edirne TR 170 km

Rustig aan vandaag. Het is vakantie. Het is de laatste dag die ik doorbreng in Turkije, en morgen rij ik door Bulgarije, en daarna Roemenië. Die landen ga ik slechts een beperkt bezoek brengen. De planning zal ik vannamiddag nog opstellen. Deze zal mede beïnvloed worden door het weer, want men voorspelt onweders in de Balkan.

Ik vertrek pas om 9 uur. Het vroegere Thracië is een vruchtbaar landbouwgebied, maar hier en daar zie je zware industie langsheen de autoweg. Maar die verwijnt ook naarmate ik Edirne nader. Een mooie rustige rit al met al, en goed aan gekomen in Edirne, net voor twaalven. Ik probeer mijn moto te parkeren op de parking van Hotel Kervansaray, pal in het centrum van Edirne, maar dat mag niet. Ik moet hem zetten op de binnenplaats van de caravanserail.

Alles wat vast zit wasemt hier zichtbaar het Midden-Oosten uit, maar de meerderheid van de mensen gedraagt zich verrassend Europees. Ik ga eten in een restaurantje, zo groot als mijn slaapkamer thuis. Ik bestel Portyon; dat blijkt natuurlijk 1 portie kip, sla en brood te zijn. Lekker, maar gekruid. De Turken strooien daar zelf steevast nog een halve pot zout over uit.

Deze stad is gesticht door de Romeinse keizer Hadrianus, nu vervormd naar Edirne. In de 15 eeuw werd dit dan even de hoofdstad van het Ottomaanse rijk, om van hier uit de rest van Europa te kunnen veroveren. Het is dan ook een leuke stad om op een meer ontspannen manier even te kunnen nippen van wat ook Istanbul te bieden heeft.

Het is hier drukkend warm, en nu en dan vallen wat zeldzame regendruppels.

Ik bezoek de oude moskee, die dateert van begin 15e eeuw, en vervolgens de nog veel grotere moskee van eind 16e eeuw. Beide zijn prachtig. Opvallend is de duidelijke aanwezigheid van vrouwen, dit in tegenstelling met andere delen van Turkije. Ook zie je hier meer koppels en ook meer kinderen. Tijdens het  gebed blijven vrouwen evenwel achteraan in de moskee, net zoals in een synagoge. Ze riskeren teveel de mannen af te leiden, en ze babbelen te veel. (Dat heeft de Jood Chaïm mij verteld) Dan nog enkele musea, van heel mooi tot minimaal. Het museum van de geschiedenis van de stad in een oude houten Turkse villa bestaat niet meer. Er zijn nu bureaus in gevestigd. De deur staat echter half open, en ik ga binnen. En ja, het lukt weer, ik krijg een rondleiding van één van de vrouwelijke bedienden; er zijn wel geen museumstukken te zien, maar het huis op zich is het bekijken waard, met zelfs fresco’s met panorama’s van Amsterdam en Istanbul. Tenslotte stopt ze mij nog twee fotoboeken over de grote moskee in handen, die ze na heel wat zoekwerk in één van de kasten terugvond. Ik herinner mij nog zoiets gelijkaardig in Cuenca, in Spanje. Hoe krijg ik die boeken nu veilig thuis? Ik wandel dan weer langs de oude badhuizen, de talrijke eeuwenoude marktgalerijen, en vind het dan toch tijd om wat op mijn bed te gaan liggen. Alles ligt hier dicht bij elkaar, en vooral dicht bij mijn hotel.

Het is ondertussen bijna zes uur. Ik ben nu wat uitgerust en ga weer op stap. Nog een grote moskee: de moeite waard. Ze kunnen er wat: zowel de architectuur, als de versieringen en calligrafieên. Alles met zoveel zwier en inspiratie. Rechtover de moskee nog een groot badhuis. Een deel van de stad is aangelegd volgens een geometrisch patroon. Dit ademt nog enigszins een welstand van weleer uit, maar is nu ferm aan het vervallen en samen met de ganse buurt aan het verloederen. Net in die buurt vind je een groot aantal goedkopere hotelletjes uit de Lonely Planet, die er nu maar sjofel uitzien; daar ben ik gelukkig aan ontsnapt.

Nu heb ik het wel gehad en zoek een rustig plaatsje om wat thee te drinken en aan het verslag te werken.

Dag 17+10 (woensdag 27 mei 2015):

Edirne TR > Veliki Tarnovo BG  380 km

Om zeven uur ga ik ontbijten in één van de grote zalen van de caravanserail: eenvoudig en lekker.

Om 8 uur verlaat ik de stad richting Griekenland. Ik verkies deze kleine omweg omdat ik hier minder oponthoud aan de grens verwacht, hoewel ik dan later ook nog eens de Grieks-Bulgaarse grens over moet. Toch eerst nog tanken om de laatste Turkse Lira’s kwijt te raken.

De Turks-Griekse grens wordt bijna volledig gevormd door de rivier Maritsa, behalve hier in Edirne, waar een kleine strook over de rivier Turks gebied is. Duizenden illegale immigranten uit Azië waagden hier hun kans omdat het overzwemmen van de rivier te gevaarlijk is. Dus heeft de Griekse regering, met de hulp van Europa (Fortex) een soort ijzeren gordijn van 10 kilometer gemaakt.

Ik steek de rivier over via twee oude stenen bruggen, en rij daarna dus nog enkele kilometers door Turks gebied. Bij de Turkse douane aangekomen ben ik de enige klant. Alles gaat er ontspannen aan toe. De douanier doorzoekt wel al mijn bagage. Hij vraagt voortdurend “camera”. Ik gebaar van den krommen, en toon hem mijn foto-apparaat, en mijn GSM, maar hij ziet niet die camera opzij aan mijn helm, die overigens uit staat. Dat alles duurt maar vijf minuten. Bij de Griekse grens gaat het nog sneller: enkel de topkoffer moet open.

Ik moet nu dus Griekenland toevoegen aan de lijst bezochte landen. Deze passage van dertig kilometer verloopt echter rimpelloos langs een grote lege weg tot de grensovergang Griekenland-Bulgarije, waar ik enkel aan de Bulgaren mijn pas moet tonen. Dit douanecomplex moet vroeger heel wat mensen tewerkgesteld hebben en heel wat traffic te verwerken gehad hebben, maar nu staat alles leeg en vervallen. Een kilometer voorbij de grens zie ik een motoreiziger uit de andere richting aankomen die net zoals ik, maar dan omgekeerd, vlot in Turkije wil geraken.

Het is nu nog maar 9 uur, en ik rij op redelijk rustige wegen door de zuidelijke landbouwstreek van het Bulgaarse Thraciê. Ik zie veel karretjes voortgetrokken door paardjes. De landbouw stelt nog heel wat mensen te werk, maar je ziet aan de uitgestrekte velden dat de mechanisatie hier ook fors in opmars is.

Nu nog gaan tanken: eerst benzine, en dan Bulgaarse Lev’s. En dan ga ik nog een lekker klein koffietje drinken: een verademing na wekenlange thee. Kost, jawel, ongeveer 10 frank, geserveerd op het terras. Gelukkig dat ik nog niet teveel geld gewisseld heb !

Plovdiv is al een heel oude stad, en is een groot Romeins amfitheater rijk, met als bijzonderheid dat het uitkijkt niet enkel op de scène beneden, maar ook op de vallei waarboven Plovdiv uittorent. Ook was er hier ooit een grote Romeinse renbaan, waarvan een deel blootgelegd is, maar het grootste deel in de loop der eeuwen overbouwd is. De oude stad ligt helemaal boven en de straatjes zijn geplaveid zoals heirwegen. Lastig met verzeerde poten! Een opsomming: moskee, orthodoxe kerkjes, Turkse houten huizen, genoeg voor een paar uurtjes zoet.

Bij het verlaten van Plovdiv passeer ik talloze ‘autosalon’s’ van tweedehands auto’s. Duizenden staan er hier. Vermoedelijk uit het westen geïmporteerd. Bulgarije is een groen land, en in de maand mei valt de meeste regen. Ik rij bovendien noordwaarts naar de bergen toe en zie hier en daar hevige onweders toeslaan. Ik heb echter geluk en passeer de eerste bergenrij zonder erg nat te worden.

Ik ben nu in de in ‘de vallei van de Thracische koningen’, zo genoemd omdat ze hier begraven werden. Deze leefden hier ten tijde van Alexander De Grote, die het te druk had met andere dingen, en zijn achtertuin ongemoeid liet. Velen liggen hier begraven in graftomben verborgen onder een grote hoop aarde, waardoor sommige slechts relatief recent ontdekt zijn. Zo ook deze van Kazanlak, toevallig ontdekt in 1944. In Kazanlak beland ik eerst in het verkeerde museum, dit op vriendelijke aanwijzing van diverse inboorlingen. Daar zie ik toch wat interessante dingen, want hier wordt de inhoud van de tomben tentoongesteld. In één van de tomben uit de streek ontbrak de schedel, maar trof men in de plaats daarvan een mooi gouden masker aan.

Misschien iets voor mijn dochter Audrey om hier ooit eens een kijkje te komen nemen. Ik blijf hier niet te lang haperen, want wil ook de tombe zelf eens zien. Ik kom er net tien minuten voor sluitingstijd aan, maar dat is net genoeg om de die luttele vierkante meters eens van heel nabij te bekijken, en dan bedoel ik héél nabij, want ik moet mij bukken om mijn hoofd niet te stoten. Ongelooflijk dat dit graf al meer dan tweeduizend jaar overleefd heeft, maar ja, het was dan ook gemaakt voor de eeuwigheid.

Shipka was ik normaal voorbijgereden, ware het niet dat ik aangetrokken werd door enkele fel glinsterende koepels tussen de bomen op de helling boven het stadje. Dus toch nog even een bezoekje gebracht, samen met een bus joelende schoolkinderen, die meer oog hadden voor de kraampjes buiten dan voor de oude iconen en mooie fresco’s.

Nu passeer ik de moeilijkste momenten van de dag. Het heeft hier net geonweerd, en ik moet een bergpas over die dus nog nat ligt. Gelukkig zijn de wegen hier in Bulgarije erg goed, en de klim + afdaling van 30 kilometer verloopt zonder problemen. Ik vang slechts hier en daar wat druppels water op, maar hoef mijn regenkledij niet aan te trekken.

Na deze passage van de Balkan bergenrij bereik ik omstreeks 19u30 Veliko Tarnovo. Een mondain vakantieplaatsje in het Noorden van Bulgarije, en ooit korte tijd de hoofdstad van het tsaristisch Bulgarije. Druk… Zo druk dat de hotels welke ik binnenstap één voor één volgeboekt zijn. En dan begint het nog net te regenen. Ik spoed mij voorzichtig naar Hotel Central, dat ik daarnet in een vlucht zag, kan mijn motor droog onder de overhang plaatsen, en ga vragen of er nog plaats is. Geen geluk, er is geen ‘single’ kamer meer, enkel nog een dubbel. “Is dat duurder?” vraag ik. “Neen, dat is dezelfde prijs: 45 Lev’s”. Dan is dat geen probleem, zolang ik maar niet op zoek moet naar iemand anders om dat andere bed te vullen. Ik zeg dat niet luidop, om dat jonge meisje achter de balie, dat erg goed Engels spreekt, niet in verlegenheid te brengen. Ik moet vooruit betalen, maar mijn Visa-kaart werkt niet, waardoor ik nog eerst honderd meter verder een bankomat moet gaan beroven.

Dan op zoek naar wat eten.  Er lopen hier veel jonge mensen rond; er zou hier een prestigieuze universiteit moeten zijn, hetgeen dan ook mogelijk buitenlandse studenten aantrekt. Ik vind een Syrisch restaurant: toch nog een laatste stuiptrekking van mijn korte passage langs het Midden-Oosten, en als troost om ook eens niet van Syrië te hebben kunnen proeven.

Het is ondertussen 22 uur geworden, en hoog tijd om onder hypnose te gaan.

Dag 17+11 (donderdag 28 mei 2015):

Veliki Tarnovo BG > Albestii Ungureni RO 300 km

Ik ben vroeg wakker en probeer mijn verslag online te krijgen. Dat gaat zeer moeizaam: de layout klopt niet, en ik krijg de fouten niet verbeterd.

Om zeven uur wordt het ontbijt geserveerd. Ik krijg een kaartje onder de neus geduwd met drie keuzemogelijkheden. Ik kies nummer twee, maar het is zo beneden peil dat ik de helft laat staan. Het hardgekookt eitje was wel erg lekker.

Dan onmiddellijk de stad in op verkenning van de enorme citadel; die gebouwd werd door de Thraciërs, en later ook door de Romeinen werd gebruikt, evenals de latere heersers, maar die pas tot volle glorie kwam in de Middeleeuwen tijdens de korte dynastie van de Bulgaarse Tsaren. De wandeling naar de citadel beslaat al gauw een half uur, en ik kom net aan wanneer de poort opengaat om 8 uur. De ticketbalie is nog niet klaar, en ik mag gratis naar binnen. En nu nog naar boven! Dan weer terug naar het hotel kriskras door de kleine straatjes van de eeuwenoude stad. Dit stadje doet mij wel enigszins aan Cuenca denken in Spanje, en heeft misschien wel evenveel in zijn mars, maar voorlopig is dit nog ver af. Veel staat leeg, en de drukte van gisteravond zal vooral te maken hebben met het feit dat hier veel studenten zitten, en dat deze plaats een gebruikelijke pleisterplaats is voor busreizen, inclusief de Japanners.

Inpakken en wegwezen. Ik heb er voor gekozen om niet de gebruikelijke weg te nemen via Ruse, maar de veerboot over de Donau te nemen in Svishtov. Dit was vroeger een belangrijke overzet voor vrachtwagens, en de weg naar dit stadje is dan ook verhard. Daarmee is het meeste wel gezegd, want dit is een van de meest bonkige en door bomen overgroeide trajecten van mijn reis, en zeker door Bulgarije. Maar nu zie ik pas eens Bulgarije van een heel andere zijde, dwars doorheen de dorpjes, in plaats van op een mooie weg er langs heen.

In Svishtov kom ik net aan op de middag, en omdat ik nog wat Lev’s te verteren heb, ga ik eten in een restaurantje waar veel volk zit. Een agent van de ‘Security Police’ helpt mij bij het uitkiezen van een kippesoep, gevolgd door kippebil met aardappelen en groenten. Lekker, behalve de aardappelen. Maar ja, ze hebben hier geen polders zoals bij ons. Een dessert sla ik af, ondanks aanmoediging van de agent. Ik wil fit blijven op de motor.

Wat later ga ik op zoek naar die veerboot, met behulp van mijn Lumia. Die moet mij over de Donau brengen naar Roemenië. Ik heb geluk; ik geraak vlot door de douane, waarbij we het meer hebben over mijn reis en over landen, dan over de papieren. Eén van de douaniers zegt dat ik beter over Servië gereden had. ik antwoord hem dat ik Roemenië eens wilde zien. Bovendien wil ik van Servië ooit een volwaardige reisbestemming maken.

Ik koop een ticket en rij de veerboot op. Ik ben de eerste. Ondertussen komt het personeel een praatje met mij slaan, de ene in het Duits, de andere in het Engels. Eén van hen kan Russisch, maar hij maakt mij duidelijk dat dat hier niet populair is! Een kwartiertje later rijdt er ook een vrachtwagen op en kunnen we vertrekken. De overtocht naar Roemenië kan beginnen.

Dat is ook snel weer afgelopen, en Roemenië ligt daar al aan de kade op mij te wachten, onder de vorm van een ontvangstcomité van twee douaniers, die mij zonder iets te zeggen na controle van mijn documenten laten passeren.

Roemenië is gans anders dan Bulgarije, gezelliger, herkenbaarder, maar lastiger: de wegen liggen er bonkiger bij, en er is lintbebouwing. Het moet dus gezegd dat je je niet verveelt hier. De ene na de andere paard en kar, soms stappend, soms dravend. Veel mensen lopen op straat, en in die langgerekte dorpjes zie je ze dus bijna allemaal. De huizen hebben een tuintje dat afgesloten is met hek en poort, en dat is misschien wel nodig, want niet iedereen hier heeft hetzelfde besef over wat mijn en dijn is. Nochtans ontbreekt het hen niet aan godvrezendheid, want bij de passage van een kerk slaan ze allemaal één of meerdere kruisen met het hoofd deemoedig gebogen.

Het zuidelijk deel van Roemenië is qua landschap te vergelijken met het Noorden van Bulgarije: licht glooiend vlaktes, met uitgestrekte velden, hier en daar wijngaarden. Naarmate ik de Roemeense Karpaten nader, neemt de kleinschaligheid toe, en zie je meer keuterboertjes, koeien, en op de duur zelfs schapen in het landschap.

Rond vijf uur sta ik in Pitesti, aan de voet van de Karpaten, die nog baden in het zonlicht, terwijl achter mij donderwolken zich beginnen op te stapelen. Mijn keuze is dan gauw gemaakt: ik probeer nog deze avond de Transfagaranpas over te steken. In Curtea de Arges begin ik toch te twijfelen, en beslis om de pas morgen over te steken, en nu een onderkomen te zoeken voor de nacht. Curtea is mij wat te druk, en ik rij wat verder naar het Noorden, en sla de remmen dicht als ik zie: ‘Pensiune La Doctoru’. Dat is geen toeval; die zitten hier te wachten op mij. De jonge bazin stelt onmiddellijk voor de moto achter een grote afsluitbare poort te plaatsen, wat ik met plezier doe. Waarschijnlijk vreest ze dat het kerkje rechtover het pensionnetje niet voldoende is om dieven weg te houden. Dan nog even ketting smeren en motorolie checken, wat eten, en onder de wol. Ik val onmiddellijk in slaap.

Dag 17+12 (vrijdag 29 mei 2015):

Albestii Urguneni > Sibiu RO 280 km

Om vijf uur ben ik wakker en ga buiten kijken: een blauwe hemel en een stralende zon. Ik kon mij geen betere omstandigheden wensen om de Transfagarasanpas over te steken.

Het ontbijt stelt niets voor, maar smaakt en vult, en rond negen uur rij ik weg. Het lijkt mij een goed idee om te tanken. Met hetgeen ik nog over heb geraak ik wel over de pas, maar je kunt nooit weten. De eerste vijftig kilometer stijgen langzaam in een bosrijke omgeving, grotendeels langs een uitgerekt stuwmeer. Hier en daar debris en aarde op weg, restanten van een recente onweersvlaag.

Ik dwars enkele schapenkudden. De schaapshonden hebben vaak dezelfde soort en kleur vacht als de schapen en vallen daardoor niet onmiddellijk op, maar doen verder geen kwaad. Er lopen opvallend veel mankepoten tussen de schapen. Dit is niet verwonderlijk gezien ze grazen langsheen steile en rotsige hellingen. De herders zijn op weg naar hogerop gelegen weiden en worden vergezeld door paard en kar beladen met kampeermateriaal. Hier vragen de herders niet naar sigaretten, en zwaaien ook vriendelijk, mogelijk omdat ik met mijn zacht ronkende motor de schapen niet op stang jaag.

Het wordt koud, en ik trek andere handschoenen aan. Ik passeer de boomgrens en kom enkele fietsers tegen: de één kruipt naar boven, een andere vliegt naar beneden. Het wordt ijzig aan de handen, en aan de bermen verschijnen de eerste sneeuwhopen. Soms ligt er zoveel sneeuw dat ik het grindpad moet nemen dat speciaal hiervoor aangelegd is naast de weg. Het wordt steeds gortiger, en op een bepaald moment is de sneeuwvrije weg zo smal dat alleen nog een motor of een fiets er langs kan. De pas is dus nog niet sneeuwvrij, en zeker niet open, en er rest mij niets anders dan rechtsomkeer te maken, en de 65 km vanaf het pension helemaal opnieuw af te leggen, maar dan in omgekeerde richting. Ik ben wel even teleurgesteld, maar dat gevoel maakt snel plaats voor motoplezier bij het afdalen van één van de mooiste passen van Europa. Ik begin dat Transalpje steeds meer te waarderen, want die doet hier bijna alles wat de GS doet, zij het met heel wat meer trans(alps)piratie: mijn armen en schouders doen er pijn van, maar natuurlijk ook door de koude die ze ginder boven moeten doorstaan hebben. Ook een geluk dat ik eerst getankt had, hoewel, de laatste 65 km waren toch grotendeels bergaf.

Hoe moet het nu verder? Er scheidt mij nog ruim 2000 km van Watervliet, en mogelijk nog onweer en tegenslag. Ik overweeg zonder dralen naar huis te rijden, en nooit meer Roemenië te bezoeken. Ik neem een iets grotere, maar nieuwe weg, en rijdend tussen vrachtwagens, en ander druk verkeer, bereik ik Sibiu omstreeks 16u. Nu hier nog een pensionnetje vinden in het centrum. De aanrader van Lonely Planet is gesloten, maar ik vind al gauw een alternatief. De moto staat veilig op een binnenkoertje, zodat ik snel en gerust op stap kan.

Sibiu, vroeger Cibinum, dan Villa Hermana, en verder Hermanstadt, is reeds sedert de 16e eeuw bewoond geweest door Duitssprekende Lutherse protestanten, en was zelfs hetgeen met noemt een echt Luthers nest, hetgeen hier op zijn minst enige sporen achtergelaten heeft. Deze stad heeft zoveel in zijn mars, onder ander een heel ander gezicht van Roemenië dan ik tot nu toe gezien had, dat ik besluit er toch ooit eens een speciale reis aan te besteden, is het dan niet op de moto, dan toch met de auto. Vanuit mijn pensionnetje, dat nog net in de benedenstad ligt, moet ik een heel aantal trappen op, vooraleer ik plots op het marktplein uitkom, dat nog maar een eerste is in een reeks pleintjes, en waarvan de uitstraling geen verwondering meer wekt, wanneer ik verneem dat Sibiu in 2007 culturele hoofdstad van Europa was. Wat een toeval dat ik mijn reis startte, en nu bijna afsluit in twee belangrijke Lutherse bolwerken. De zon schijnt nog volop, maar er staat een stevige koude wind, en ik ben blij dat ik trui en fleece meegebracht heb op mijn uitstap door de stad. (Jawel, die fleece welke nog aan een tak gehangen heeft in hartje Rusland)

Ik neem het avondmaal in een kelderrestaurant, aangeraden door Lonely Planet. Het eten is verzorgd, en wordt opgediend door kelners in traditionele kledij.

Dan nog een uurtje stappen, nu doorheen de oude benedenstad, die minder opgeknapt is, maar toch nog voldoende charme en volksleven vertoont. Vooral deze benedenstad doet mij denken aan het Slovaakse Kezmarket, aan de voet van het Tatra-gebergte, dat ik bezocht in 2001 en in 2011.

Nu nog het verslag bijwerken, dat ik vandaag in stukken en beetjes geschreven heb, en deze mooie dag zit er weeral bijna op. Ik verlang al naar mijn bedje, om mijn moede leden neer te vleien.

Dag 17+13 (zaterdag 30 mei 2015):

Sibiu RO >  Pecs HO 580 km

Vandaag een zware dag voor de boeg. Het ontbijt kan pas om 8 uur, maar een half uur later moet ik weg zijn, want de straat wordt afgezet voor een loopwedstrijd. Dat is uiteindelijk geen probleem, want het ontbijt is beperkt. Een lekkere omelet, maar alles wat er bij komt precies afgemeten. Dat moet toch een communistisch restantje zijn. Voor de rest was hier op dit hotel niets aan te merken: heel net en heel vriendelijk.

Het is mooi weer, maar nog steeds fris, dus toch wat extra aangetrokken. Oordoppen in, en op weg. Direct bij het verlaten van het stadje, zie ik al een bende motorrijders op dure nieuwe BMW’s. Toch blijkbaar Roemenen in goeden doen, die een uitstapje maken op zaterdag.

De noordkant van de Karpaten is heel mooi. Ik volg gewoon de vallei van Oost naar West. En geleidelijk aan nemen ze af in hoogte, tot er nog enkel wat heuvels zijn, die dan helemaal verdwijnen in de vlakte van de Donau, die wat verder van Noord naar Zuid loopt, van Hongarije naar Novi Sad en Belgrado in Servië, en dan weer tussen Roemenië en Bulgarije naar het Oosten.

Nog wat leren omgaan met honden die vervaarlijk komen aanrennen, en blaffen naar de moto. Dat lukt al aardig. Ik stop, kijk ze aan, en dan druipen ze af.

Wat zeker nog vermeldenswaard is: Roemenië is een grote honigproducent. Overal langs de Roemeense wegen zie je tientallen bijenkasten. Vaak staan ze zelfs op trailers of vrachtwagens, zodat ze om de zoveel dagen verplaatst kunnen worden in de buurt van velden waar de gewassen in bloei staan. Hier en daar zie je dan de imkers druk in de weer.

Op de middag stop ik om een soepje te gaan eten. Ik babbel even (in het Engels) met een jonge gast. Hij rijdt met een dure BMW (auto), en heeft gezelschap van twee meisjes.

’s Morgens is het nog kalm, maar dat verandert snel in de loop van de voormiddag. Op de duur zit ik te sukkelen tussen auto’s en vrachtwagens, en dat duurt zo tot de grens met Hongarije, die ik rond 13 u nader. Kilometers vrachtwagens staan langs de kant van de weg te wachten tot zij aan de beurt zijn. Gelukkig kan ik ze vlot voorbij, en de grenspassage zelf is al helemaal geen probleem. Dan weer langsheen een kilometers lange file stilstaande vrachtwagens, maar dan in tegenovergestelde richting, op een smalle weg met maar twee stroken. Dat is om problemen vragen: auto’s en bestelwagens proberen de vrachtwagens voorbij te steken, maar dan moeten ze uitwijken in de berm aan de overkant, die dan ook maar heel smal is.

Ik passeer gelukkig overal langs, en oef, dat is ook weer achter de rug. Ik had Boedapest gepland voor vandaag, maar ik heb het nu toch wel gehad met die drukte en die vrachtwagens, en neem richting Pecs in plaats van Boedapest. Daardoor zal ik wel de Alpen moeten oversteken, maar dat is geen straf als het mooi weer is.

Hongarije is heel wat ordelijker dan Roemenië. De signalisatie langs de wegen: daar valt niets op aan te merken. Ik zie ook geen verwilderde honden.

Wat verder is er nog een tegenvaller: wegenwerken op zaterdag. Maar dat hoort er nu eenmaal bij en nog voor 18u bereik ik Hotel Diana in Pecs. Ik was hier drie jaar terug ook met Stefan De Bock. De motor krijgt een plaatsje op een afgesloten parking achter de grote synagoge van Pecs.

Dan op stap om iets te eten. Ik vind een restaurantje, waar het blijkbaar goed eten is, want er zit een bende volk, en het gaat er plezant aan toe. De dienstertjes zijn stuk voor stuk bevallige jonge meisjes. Eentje ervan staat zelfs vol tatoeages. Ik bestel de eendenpoot met rijst, en krijg er twee, geserveerd op een enorm bord naast een berg rijst. Ik krijg niet alles op. Gelukkig dat ik niets anders bestelde.

En nu gaan stappen, om die twee eendenpoten er af te lopen. Het is echter een mooie warme avond, en al het schoon volk loopt op straat of zit op terrasjes. Ik herken nog veel van twee jaar terug (van de stad, niet van de mensen!). Ik ga ook nog eens binnen in het reusachtige Art Nouveau Hotel Palatinus. Het personeel kijkt wel even op, maar is vermoedelijk reeds vertrouwd met de nieuwsgierigheid van menig toerist.

Vandaag dus niet veel beleefd, maar veel gezien, en een heel stuk dichter bij huis.

Dag 17+14 (zondag 31 mei 2015):

Pecs > Sopron HO 330 km

Wanneer ik wakker word is het buiten reeds licht. Nochtans is het licht bewolkt, en heeft het deze nacht geregend. Nog even mijn verslag van gisteren online zetten, en mijn mail checken. Frank en Liliane hebben ondertussen een nieuwe motor gekocht: een 1200 RT. Eduard heeft ook een reisverslag gemaakt. Heel leuk om te lezen, en alles eens te zien doorheen zijn bril. Ik hoop zijn verhaal in mijn blog te kunnen verweven.

Ik ben de eerste gast aan de ontbijttafel. Er is buffet met ruime keuze. Dat was even geleden. Nadien haal ik de motor uit de afgesloten parking, plaats hem vóór het hotel, en ga pakken.

Om 8 uur stipt rij ik weg. Het is frisjes, en even later gaat het zelfs heel licht regenen. Dat blijft zo een paar uurtjes aanhouden, maar het landschap is prachtig, en op dit vroege zondaguur zijn nog niet veel mensen op straat, tenzij aan de uitgang van een kerk. Ze hebben hier dus nog vroegmissen. Toch opvallend: tijdens gans deze reis zag ik heel weinig kerkgaande jongeren.

Onderweg beslis ik opnieuw om mijn plannen te veranderen, en op zeker te spelen. Ik zal de onberekenbare Alpen links laten liggen, letterlijk én figuurlijk, en richt de plastieken neus van mijn stalen ros naar Sopron. Dit ligt nog net in Hongarije, aan de Oostenrijkse grens, en nog ver genoeg van de drukte van Wenen.

Echter, na 230 km gereden te hebben slaat het noodlot weer toe. Bij vertrek na een kleine rustpauze doet ie het niet meer, die kilometriek. Opnieuw hetzelfde euvel. De eerste keer hadden Pieter en Joke er mee te kampen, ikzelf op de terugweg van de Tsarenrit, en nu weer. Kunnen ze nu dat ene onderdeeltje niet even onverwoestbaar maken als de rest van de motor? Neen, steken ze daar een nylon tandwieleke in dat om de haverklap gewoon afslijt van het draaien. Dat zit er nu nog maar tienduizend kilometer in. Als ik Alaska-Vuurland wil doen zal ik een gans zakske van die tandwielekes moeten meepakken.

Gelukkig geraak ik ook zonder kilometriek uiteindelijk in Sopron, en al zoekend naar het Wieden Panzio, stop ik aan Panzio Elhardt, dat dichter bij het centrum is, en waar er veel volk buiten aan tafel zit, en neem er mijn intrek.

Volgens de gids moet ik 1 à 2 uur uittrekken om de middeleeuwse kern van dit stadje te bezoeken, maar dat is zonder de festiviteiten gerekend, die net vandaag plaatsvinden. Ik ga het stadscentrum binnen door de poort onder de immense vuurwachttoren, en moet mij vervolgens door het volk wurmen om vooruit te raken, en wordt voortdurend van mijn rondgang afgeleid door volksdans, muziek, en allerlei lekkers en drank. Ik kan niet weerstaan aan de verleiding van een toastje met kaas en tomaat, opgewarmd in een houtoventje. De kok slaagt er tot mijn verbazing in om de toast zonder enige zwart verbrande rand van tussen de likkende vlammen te halen. Toch lukt het mij om  enkele historische gebouwen, binnenkoertjes, en kerkjes te bekijken, evenals een gotische synagoge van rond het jaar 1300. Het enorme ursulinenklooster is gemakkelijk te herkennen aan de tralies voor de vensters, maar ik geraak er niet binnen.

Ik ga moe en bijna blut terug naar het pension, dat net buiten het stadscentrum ligt, en installeer mij op het terras in de tuin. Ik neem er enkel een soepje, want de snippers bieslook op de toast liggen nu nog op mijn maag. Vervolgens 70 cl water, en een lekkere zwarte thee zonder suiker, en ik voel mij weer kiplekker, klaar voor een rustige nacht. Het is acht uur, en het wordt nu toch fris: ik trek mij terug op mijn kamer.

Dag 17+15 (maandag 1 juni 2015):

Sopron HO > Passau D 330 km

Deze morgen om halfvijf wakker. Wat stretchen en bewegen om de stramheid te verjagen, en dan wat mail sorteren op de laptop. Het ontbijt is pas om zeven uur. Alweer ben ik de eerste. Er wordt een mooi dubbel paardenoog geserveerd met stukjes hesp ertussen.

Ik vertrek stipt om 8 uur, en na een kwartiertje heb ik reeds getankt, en rijd zonder ook maar enige controle Oostenrijk binnen. Ik ben niet zo ver af van Wenen, en het is maandagochtend, waardoor de spits zelfs hier goed voelbaar is.

Rond tien uur hou ik theestop op een terrasje. De baas komt wat babbelen: hij rijdt zelf met een 1200RT. Hij vertelt dat het weer hier tot nu toe niet meegevallen is. Kou en regen.

Wat verder rijd ik over de autostrade en vervolgens over en langs de Donau.

Ik passeer langs Melk, duik even het oude centrum binnen, en zie het enorme klooster met Stiftkirche op de rots nu eens van beneden, zoals het hoort, in plaats van op de parking boven.

TomTom leidt mij nog diverse malen over de stroom, telkens wanneer dit nodig is om de weg wat af te korten. Op de Donau zie je cruiseschepen langsvaren. Langs de Donau loopt aan weerskanten een fietspad, met, jawel, al heel wat fietsers, want het is mooi weer. .Ze zien er niet allemaal even gelukkig uit, want hier en daar zie ik er een blazend en met hoog rood aangelopen gezicht de helling op trappen. Ook zie ik een enorme waterkrachtcentrale, die werkt vermoedelijk zoals een watermolen, want de Donau verplaatst snel heel wat water.

Ik passeer ook het bekende Linz. Kennen we dat niet van de chocolade? In ieder geval ken ik Linz nu van een minder fraaie kant: een enorme stinkende chemische industrie, aan de oevers van de Donau.

De laatste kilometers van mijn rit verlopen op Duits grondgebied, want Passau ligt net over de grens, waar de Inn en de kleinere Ilz tegenover elkaar uitmonden in de Donau. Ik was hier reeds eens in 2001, op weg naar Slovakije, maar toen geraakten we met de moto’s niet tot bij het centrum omwille van het eenrichtingsverkeer, en het ontbreken van een GPS. Passau was vroeger een onafhankelijke staat, in handen van de bisschop, te vergelijken met het Vatikaan. Het bisdomstaatje vergaarde hier rijkdom door tol te heffen op de passage van schepen over de Donau.

Ik had een paar hotels op het oog die ik reeds opgezocht had op voorhand, maar aan de kade zie ik plots de garagepoort van een hotel open staan. Ik stap af de moto, ga het viersterrenhotel binnen, en ga naar de receptie. Terwijl ik een kamer vraag en berging voor de moto komt daar plots een onbeschofterik tussen die zegt een kamer geboekt te hebben: hij heeft een parkeerplaats nodig voor zijn auto. De receptioniste geeft hem zijn sleutel, zegt koeltjes dat de garage van het hotel reeds vol staat, maar dat hij zijn auto kan gaan parkeren aan de overkant van de Donau in een stadsparking. Als ik mijn moto nog zover moet gaan parkeren, kan ik evengoed daar dan een goedkoper hotel zoeken, denk ik in mijn binnenste. De man gaat snel ontevreden weg. De receptioniste richt zich nu vriendelijk weer tot mij: er is nog een kamer vrij en mijn moto mag gerust in de parkeergarage van het hotel, maar ze wou dat niet zeggen in het bijzijn van die andere man.

Dan bezoek aan Passau: een klein vatikaantje, hoewel ik geen enkele pastoor, pater of non gezien heb. Wel veel kerken van binnen, veel kloosters van buiten, en veel barok. Als je wilt weten wat barok is, moet je hier komen. Natuurlijk heb ik ook de Dom bezocht; daar staat het grootste orgel met haar bijna 18.000 orgelpijpen het grootste ter wereld. Op het zicht niet zo veel groter dan dat van Watervliet, maar ik zal ze wel niet allemaal gezien hebben zeker?

Mijn wandeling eindigt om halfacht in de kloostertuin van Sint Anna, dat als restaurantje dienst doet, en waar ik een slaatje neem met asperges en rauwe ham, en vervolgens nog wat schrijf aan het verslag.

Dan terug naar het hotel; ik heb vandaag toch weer een verdienstelijke poging ondernomen om mijn dagelijkse portie van 15 kilometer te voet af te leggen. Maar dat zal wel niet volstaan als voorbereiding van een driedubbele marathon langsheen de muur van Hadrianus in Noord-Engeland.

Dag 17+16 (dinsdag 2 juni 2015):

Passau > Limburg an der Lahn D 420 km

Deze morgen toch enigszins moe opgestaan, en met wat verstopte neus. Ik denk dat ik wat verkouden ben. Het heeft deze nacht geregend. Ik ben er een paar keer van wakker geworden, want ik slaap op een zolderkamer.

Het ontbijtbuffet is ongelooflijk uitgebreid. Ik doe mijn best om matig te blijven, en sluit af met wat yoghurt en vers fruit.

Ik spring reeds op de moto ruim vóór achten. Het druppelt lichtjes. Passau ligt slechts op een hoogte van minder dan 300 meter boven de zeespiegel. Naarmate ik het Beierse woud intrek gaat het naar omhoog en wordt het steeds kouder, zodat ik wat meer moet aantrekken. Regenen doet het gelukkig niet meer. Nu en dan zie ik nog een glimp van de bovenloop van de Donau. Ik zie een donkerbruin eekhoorntje stil zitten midden op de weg. Het kijkt mij aan. Ik ontwijk het terwijl het langzaam verder loopt.

Wat verder verlaat ik het woud, en kom in een winderige streek terecht. Er staan hier dan ook veel windmolens. Dit betekent dat het hier vaak genoeg waait, en dat er veel turbulentie is door de wind remmende wieken. Het is dus lastig rijden. Nu en dan neem ik een stuk autostrade om de grote agglomeraties op mijn route te ontwijken.

In Kitzingen eet ik een slaatje op een terrasje. Ook daar is het erg winderig, en de tafeldoeken waaien voortdurend weg. Om de spits van Frankfurt te vermijden neem ik tijdig de autostrade. In de andere richting hebben ze prijs: een file van wel twintig kilometer. Het is warm en de bestuurders lummelen er maar wat rond tussen de auto’s, hopend dat ze nog vandaag op bestemming geraken?

Ikzelf bereik Limburg an der Lahn rond 16u30. Ik heb wel een uur nodig om een hotel te vinden: het ene is vol, het andere bestaat niet meer, nog een ander is dicht op dinsdag. Maar aan het vierde hangt een bordje: ‘bikers herzlich willkommen’.

Dan nog een uitstap door de oude stad, die 500 meter van mijn hotel ligt. Vele huisjes in typisch Duitse vakwerkstijl. De Dom en het Schloss liggen boven op de rots die uittorent boven de Lahn, en vergen dus nog wat beklimming ook, tot en met de ultieme trap naar boven, die evenals de kasseitjes gemaakt is van basalt. De Dom is gelukkig nog open, en de binnenkoer van het kasteel ook, dat zelf grotendeels in de steigers staat voor renovatiewerken.

Ik ga dan nog wat eten: eerst een vissoepje, en dan een slaatje.

Dag 17+17 (woensdag 3 juni 2015):

Limburg an der Lahn D > Thuis 390 km

Midden in de nacht is er lawaai in het hotel: mensen lopen rond, roepen tegen elkaar, maar ik kan niet verstaan waarover het gaat. Het is nog maar drie uur. Na een half uurtje is alles weer stil. Gelukkig val ik weer in slaap.

Om zes uur begin ik alles in gereedheid te brengen om vlot het hotel te verlaten. Dan ga ik ontbijten, en rij weg om 8 uur, om nog voor 13 uur behouden thuis te komen in Watervliet. Dit avontuur is afgelopen. Maar onderweg heb ik veel tijd gehad om nieuwe plannen te maken…(wordt dus vervolgd)

.

.